Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 131

2 minuten leestijd

125 steenen werktuigen in gebruik waren, en dat onder de metalen brons het eerst bekend was. Vier jaren later schreef de Franschman Mahudel eene verhandeling over steenen werktuigen en in 1778 beweerde de bekende George Louis Leclerc de Buffon (1707—1788) in zijne „époques de la nature" dat vele gevonden stukken vuursteen niets anders waren dan werktuigen van voorhistorische menschen. Verschillende ontdekkingen, waarvan we hier slechts noemen die der paalwoningen en paaldorpen in het Alpengebied in het jaar 1854, gaven aan de praehistorische wetenschap eene belangrijke uitbreiding. De talrijkste vondsten van steenen werktuigen in Engeland, België, Frankrijk en Duitschland brachten er den Engelschman John Lubbock (geb. 1834) in 1865 toe om de steenperiode der Noren in twee ondertijdvakken te verdeelen, namelijk in eene oudere of palaeolithische en eene jongere of neolithische. In den laatsten tijd neemt men met Aimé Rutot, Hermann Klaatsch (geb. 1863), Marcellin Boule, Max Verworn (geb. 1863) en anderen nog eene derde ondersteenperiode aan, die den naam gekregen heeft van oudste of eolithische of archaeolitische periode. Dit beschavingstijdvak zou reeds begonnen zijn tijdens de mioceene formatie der tertiaire periode en de toen levende mensch draagt den naam van tertiaire mensch. Het bestaan van den tertiairen mensch is echter nog niet bewezen ; men zie hierover mijn artikel „iets over den tertiairen mensch" in „Stemmen des tijds, 1912, no. 4." De steenen van het eolithische tijdvak, zoo beweert men, werden zoo gebruikt zooals de mensch ze vond of van de rotsen sloeg en voor een doel waartoe de vorm zich het gemakkelijkst leent; zij dragen den naam van eolithen of dageraadssteenen. De eolithen zijn eigenlijk niet van natuurproducten te onderscheiden en of de mensch ze ooit in handen heeft gehad en als werktuigen heeft gebruikt, kan niemand met zekerheid zeggen. De eolithische periode is dan ook niet veel meer dan een gewrocht der verbeelding ; bezadigde en onbevooroordeelde geleerden als Hugo Obermaier, hoogleeraar te Parijs, willen er nog niets van weten. Daarentegen zijn er anderen, die reeds van eene vooreolithische steenperiode durven spreken en die dan toeschrijven aan menschapen. In de palaeolithische periode of het oudere steentijdvak, dat op het eolithische volgt en met het begin van het diluvium een

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 131

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's