Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 138

2 minuten leestijd

132 neushoren (rhinoceros tichorhinus); andere neushorens waren rhinoceros antiquitatis en rhinoceros mercki. Leeuwen, beren en hyaena's waren geduchte vijanden van het reuzenhert (cervus megaceros), den oeros (bos primigenius), den wisent (bison priscus), het paard en andere hoefdieren, van welke vooral het rendier (rangifer tarandus) in de laatste helft der ijsperiode eene groote beteekenis verkreeg. Gemzen en steenbokken leefden in de bergstreken en kleine knaagdieren zooals hamsters en lemmingen verlevendigden het landschap.

Te midden van deze wereld leefde de diluviale, de palaeolithische mensch. Reeds in de achttiende eeuw werden er menschenbeenderen gevonden te midden of in de nabijheid van overblijfselen van uitgestorven, van voorhistorische dieren. Toen in het jaar 1700 door Eberhard Ludwig, hertog van Wurttemberg nabij Cannstadt aan de Neckar opgravingen gedaan werden bij de puinhoopen van een Romeinsch kasteel, vond men in eene diluviale leemlaag een stuk van een menschenschedel te midden van beenderen van mammoet, holenbeer en holenhyaena. Nadat later Oskar Fraas (1824 - 1897), Jean Louis Armand de Quatrefages (1810—1892) en Theodore Jules Ernest Hamy (1842—1908) dit schedelfragment hadden onderzocht en gevonden hadden, dat het eenige overeenkomst vertoonde met den straks te vermelden Neanderdaler schedel, is het verloren geraakt. In 1774 vond de theoloog-natuurkundige Eugen Johann Christoph Esper (1742—1810)) in de Oaillenreuther grot bij Muggendorf in het N. van Beieren verschillende menschenbeenderen, waaronder ook schedels, te midden van overblijfsels van mammoet, reuzenhert, rendier, holenbeer, holenhyaena en vele andere dieren. Uit den vorm der grot blijkt dat de dieren, waarvan hier beenderen .gevonden werden, er niet in kunnen gewoond hebben. Reeds in de eerste helft der negentiende eeuw werd het aantal vondsten van menschenbeenderen uit den diluvialen tijd en van blijkbaar door die menschen vervaardigde wapenen en andere kunstproducten zoo groot, dat zij de opmerkzaamheid van vele beroemde natuuronderzoekers tot zich trokken. Ami Boué (1794—1881) ontdekte in 1823 bij Lahr, in Baden aan de Schutter gelegen, in eene loslaag een geheel menschelijk geraamte dat

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 138

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's