1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 108
102
meningococcen-dragers worden aangetroffen, voornamelijk onder hen, die op een of andere wijze met lijders in aanraking zijn geweest; maar ook daar, waar bijv. in maanden geen ziektegevallen zijn geweest; ja zelfs in enkele gevallen bij personen, wonende in streken, die als geheel ziektevrij zijn te beschouwen. Er zijn dan ook onderzoekers, die van meening zijn, dat de meningococcen evenals de pneumococcen ubiquitair voorkomen. Wat vooral te denken geeft, als men er op let, dat zelfs in plaatsen, waar de ziekte zoogenaamd uitgebroken is, gemiddeld niet meer dan 1 per duizend wordt aangetast en dat in den regel niet meer dan één in een huisgezin wordt getroffen. Algemeen wordt thans aangenomen, dat in de meerderheid der gevallen niet het contact met den zieke tot nieuwe ziektegevallen leidt. Daar het aantal gezonde coccendragers zoó aanzienlijk veel grooter is dan het aantal zieken — het wordt door sommigen op het tienvoud geschat — is het trouwens duidelijk, dat deze dragers veel meer tot de verspreiding moeten bijdragen dan de zieken ; zoodat men geen andere oplossing kan' geven voor de vraag, waarom het gros van hen, die aan de infectie bloot staan, de ziekte niet krijgen dan door een zekere predispositie aan te nemen. Moet dit niet manen tot bescheidenheid en tot voorzichtigheid, om aan de meningococcen niet al te groote beteekenis toe te kennen ; en een aansporing tevens, om dieper te graven in de predispositie c. q. onvatbaarheid als meer wezenlijke factoren in deze kwestie ? Nu schijnt het wel, dat de gunstige resultaten van de intraspinale behandeling met anti-meningococcen serum — verkregen door immuniseering van paarden door herhaalde injecties van levende of doode culturen — ten slotte toch voor het goed recht pleiten van de stelling, dat de meningococcen de voornaamste rol spelen. Maar aangenomen, dat de statistieken, die dit therapeutisch succes zouden bewijzen, inderdaad juist zijn — het is hier de plaats niet, om dit critisch na te gaan — zoo mag wel ernstig de vraag onder de oogen gezien worden, of de inspuiting van groote hoeveelheden paardenserum op zich zelf al niet een factor van beteekenis is; want let er wel op, om de behandeling lege artis te doen geschieden, moet bij herhaling worden geinjicieerd bij een kind van 15—30 c c . en bij een volwassene van 30—60 c, c. Denk nu verder aan het wegvloeien van lumbaalvocht en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's