Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 134

2 minuten leestijd

128 Door Félix Garrigou werd de palaeolithische periode in twee onderafdeelingen verdeeld, namelijk in de mammoet- of holenbeerperiode en in de rendierperiode, doch ook deze tijdperken vloeien veelszins ineen. De niammoetperiode is de oudste. De rendier- of oerosperiode rekent men te beginnen, toen ten gevolge van een droger en kouder klimaat tijdens en na de hoofdijsbedekking de groote zoogdieren zooals mammoet, neushoren, holenbeer en holenhyaena uit west- en middel-Europa verdwenen en vervangen werden door rendieren, oerossen, paarden, herten en knaagdieren. Wanneer men echter bedenkt dat dikwijls in hetzelfde hol mammoet- en rendierbeenderen dooreengemengd gevonden zijn en dat mammoeten en neushorens zeer goed in koude streken hebben kunnen leven, dan wordt het eerder waarschijnlijk dat de beide door Garrigou in 1867 opgestelde onderperioden te gelijker tijd op verschillende plaatsen hebben voortbestaan. Aan de neolithische periode gaf G. de Mortillet den naam van robenhausien naar het dorp Robenhausen aan het meer Pfaffikon ten O. van Zurich, waar overblijfselen van een bizonder groot paaldorp van wel 100.000 palen gevonden zijn. Daarentegen verdeelde Philippe Salmon omstreeks 1880 de jongere steenperiode in drie ondertijdvakken : het tijdvak van Campigny, het tijdvak van Chassey en Robenhausen en het tijdvak van Carnac. Tot het eerste, zoo geheeten naar het plaatsje Campigny in het departement Seine inférieure, rekent hij de kjökkenmöddinger of Skandinavische schelphoopen en de kuilwoningen of trechterkuilen (fonds de cabane); het tweede ondertijdvak, dat zijn naam ontleent aan een dorp in het departement Saóne et Loire en het reeds genoemde Robenhausen, omvat den tijd der oudste paalwoningen ; tot het derde ondertijdvak, dat genoemd is naar Carnac aan de zuidkust van Bretagne ten Z.-O. van Lorient, worden de megalithische graven, dolmens of hunebedden gerekend. De bronsperiode werd door de Mortillet verdeeld in twee tijdvakken, waaraan hij de namen gaf van époque morgienne en époque larnaudienne. Het eerste, dat men ook wel de oudere bronsperiode zou kunnen noemen, ontleent zijn naam aan het dorp Morges, dat ten W. van Lausanne aan het meer van Geneve ligt en alwaar overblijfselen gevonden zijn van verschillende paaldorpen, die deels vlak bij den oever lagen, deels een paar honderd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 134

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's