1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 151
145 den schedel van het Neanderdal is niet eens eene onderkaak gevonden. Het hooge fraaie voorhoofd van den Krapinamensch, waarop Kramberger herhaaldelijk wijst, laat Pohlig geheel buiten bespreking; daarentegen trekt hij geweldig te velde tegen bedriegers en duisterlingen, tegen lasteraars en kwakzalvers — dat zijn allen die anders durven denken dan hij — en maakt er zich ontzettend bcos over dat er nog menschen zijn die onze afstamming van menschapen voor „speculatie" houden en dus eene eeuw ten achteren zijn. Maak maar niet zoo'n drukte, zou men hier geneigd zijn den heer Pohlig toe te roepen, en houd u maar kalm aan wat de opgravingen in werkelijkheid hebben opgeleverd. Wilhelm Branca en Hermann Klaatsch meenen dat er te Krapina twee verschillende menschenrassen samen geleefd hebben, aangezien een enkel voldoende bewaard schedelfragment een breeden neus en een achteruitwijkend voorhoofd vertoont. Sommigen houden het er voor dat de ontmoeting dier rassen hier tot hevige gevechten, ja zelfs tot kannibalisme aanleiding zou hebben gegeven, wijl vele menschenbeenderen gebroken zijn en sporen van verbranding vertoonen. De bij de opgravingen in het hol van Kessler in 1874 gepleegde vervalschingen waren oorzaak dat de vele berichten, die melding maakten van de groote kunstvaardigheid van den palaeolithischen mensch, nauwelijks de opmerkzaamheid waardig werden gekeurd. Zoo kwam het dat er zoo goed als geen acht geslagen werd op de rijke schatten aan kunstproducten uit den diluvialen tijd, met name uit het magdalénien, die vooral in het Z. van Frankrijk en in het N. van Spanje gevonden werden en waarvan die uit het departement Dordogne door Edouard Lartet en Christy beschreven werden in het werk „reliquiae aquitanicae," dat van 1865 tot 1875 verscheen. Hierbij kwam nog dat de beide beroemde Fransche archaeologen Emile Cartailhac en Elie Massénat langen tijd de echtheid van die kunstvoortbrengels bleven betwijfelen. Weldra werden echter de vondsten van snijwerk in been en in ivoor, van gekleurde en ongekleurde teekeningen in holen en op rotswanden zoo menigvuldig dat men hun bestaan en hunne echtheid niet langer kon ontkennen. In 1867 vond Félix Garrigou eene in steen gekraste teekening van een holenbeer in de grot van Massat. Massat ligt in de Fransche Pyreneeën in het Z. van het departement Ariège. In dezelfde Orgaan 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's