1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 77
69
week, zoodat vroeger met ijs bedekte landstreken geheel ijsvrij werden. De eerstbedoelde tijdvakken, gedurende welke de keileem gevormd werd, heeten glaciale perioden ; de laatste, tijdens welke de ontstane grondmoreene met puin en zand bedekt werd ten gevolge van stroomend water en wind, dragen den naam van interglaciale perioden of tusschenijstijdperken. Voor noord-Europa nemen de meeste geologen thans drie ijstijdperken aan, waarvan de middelste de uitgebreidste was, en die door twee tusschenijstijdperken van elkaar gescheiden zijn. De laatste hadden natuurlijk een warmer klimaat dan de eerste, gelijk uit gevonden overblijfselen van planten en dieren ook blijkt. De bewegingsrichting van het ijs wordt niet alleen afgeleid uit de plaats van- herkomst der erratische steenen, maar ook uit de richting der krassen, die het ijs op de rotsen heeft doen ontstaan. In Skandinavië zijn die gletscherkrassen het duidelijkst en wijzen op eene beweging van het diluviale gletscherijs van het N. naar het Z.. In Duitschland zijn deze strepen het talrijkst ten O. van de Harz tusschen Halle, Leipzig, Schweidnitz en Strehlen '). Maar, zeggen MELCHIOR NEUMAYR (1845—1890) en CARL VICTOR UHLIG (1857—1911) in hunne „Erdgeschichte, zweite Aufiage, zweiter Band, 1895, pag. 431", „in de hier waargenomen richtingen heerscht weinig tegelmaat, vermoedelijk omdat de hier reeds aanmerkelijk dunnere ijsbedekking door kleine hindernissen uit hare baan gebracht werd." Bij Rüdersdorf ten O. van Berlijn, bij Velpke en Danndorf — twee plaatsjes ten N. O. van Brunswijk niet ver van de Aller — worden de van het N. naar het Z. loopende krassen gesneden door andere, die van het O. naar het W. gericht zijn. Ditzelfde verschijnsel neemt men ook waar in het Z. van Zweden en op de eilanden Bornholm en Seeland, en men verklaart dit door aan te nemen, dat na de groote ijsbedekking, die zuidwaarts schoof, er een ijsstroom uit Finland en Esthland kwam, die eerst westwaarts gleed en eindelijk noordwestwaarts en zelfs noordwaarts omboog. Zoo komt het ook dat in de noord-Duitsche laagvlakte en zelfs in Zweden erratische steenen uit de Russische Oostzeeprovinciën gevonden worden. Volgens eene berekening van A. PENCK zouden tijdens de 1) De beide laatstgenoemde steden liggen in Silezië ten Z. W. en ten Z. van Breslau.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's