1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 136
130 In middel-Europa groeiden toen palmen, cypressen, kamferboomen en olijfboomen. In de bosschen zwierf het reusachtige schrikdier (dinotherium giganteum) met twee naar beneden gebogen slagtanden, de tepeltand (mastodon angustidens) een olifant met vier schuin omlaag gerichte slagtanden, benevens een groot aantal andere slurfdragers en talrijke neushorens. Ook apen en paarden ontbraken niet, terwijl de roofdieren o.a. vertegenwoordigd werden door den sabeltand (machairodus latidens) een tijger met twee geweldig groote dolkvormige hoektanden in de bovenkaak. Volgens sommigen leefde in Europa toen ook'reeds de mensch ; hij zou vegetariër geweest zijn en reeds het vuur gekend hebben en eolithen hebben gebruikt als wapenen en werktuigen. Opgravingen hebben echter nog niet bewezen dat de mensch reeds in de tertiaire periode geleefd heeft.
Na deze periode brak een tijdvak van groote koude aan, eene periode waarin zeer uitgebreide gletschers ontstonden, die van de Alpen noordwaarts en van de Skandinavische gebergten zuidwaarts daalden en herhaaldelijk een groot gedeelte van ons werelddeel met ijs bedekten. Slechts een smalle strook van Duitschland ten N. der Alpen en het grootste gedeelte van Frankrijk bleef gedurende dit tijdperk, dat den naam van diluviale periode of diluvium verkregen heeft, geheel van de ijsbedekking verschoond. In het reeds vermelde opstel „iets over den tertiairen mensch", alsmede in ons artikel „over de diluviale gletscherijstheorie van Torell" in „Orgaan van de chr. vereeniging van natuur-en geneeskundigen, jaarg. 1912" is dit diluviale tijdvak of deze ijstijd eenigszins uitvoerig besproken ; bovendien geeft elk geologisch leerboek er een overzicht van. Daarom meenen we hier te kunnen volstaan met enkele opmerkingen. Evenals de gletschers van den tegenwoordigen tijd nu eens in grootte toenemen en dan weer afnemen, zoo stelt men zich ook voor dat zulks geschiedde in het diluviale tijdvak. In de 17 de en 18de eeuw b.v. namen de gletschers der Alpen over't algemeen in omvang toe ; zij groeiden vooral aan in de lengte en hunne benedeneinden schoven naar de laagte. Sedert de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's