Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146

2 minuten leestijd

140 Laugerie-basse bij Les Eyziès in het departement Dordogne in eene door groote steenblokken bedekte leemlaag, die ook bewerkte rendierbeenderen en schelpen van cypraea bevatte, een geheel menschengeraamte, 1.64 meter lang, welks wervelkolom door een steenblok verbrijzeld was en dat geheel de houding had van iemand die van schrik en pijn ineenkrimpt. De schedel was zeer goed gevormd en vertoonde niets buitengewoons. In hetzelfde jaar ontdekte Emile Rivière een volledig menschelijk geraamte in de grot du Cavillon, een der holen in de roode rots (Baoussé-Roussé genaamd) bij Mentone aan de Middellandsche zee. Dit geraamte had de buitengewone lengte van 1.85 meter en was met honderden slakkenhuisjes versierd. Tevens werden hier ruwe steenen werktuigen, alsmede beenderen van holenbeer, holenleeuw en holenhyaena gevonden. Later leverde deze grot nog vijf geraamten op van menschen die hier blijkbaar met hunne sieraden begraven waren. In een andere grot van deze rots, de zoogenoemde kinderengrot (grotte des enfants) vond Rivière in 1875 de geraamten van twee jonge menschen ; ditzelfde hol werd in 1901 en 1902 nogmaals onderzocht door Albert Oaudry (1827—1908) en leverde in de onderste lagen temidden van een aantal beenderen van uitgestorven en hedendaagsche dieren nog drie menschengeraamten op, waarvan het eene de kolossale lengte had van 1.92 meter. De beide andere waren zeer klein, 1.55 en 1.57 meter en vertoonden een type geheel afwijkend van al de overige die veel geleken op de menschen van Cro-Magnon. Zij bezaten namelijk vooruitstekende wangbeenderen, schuin naar voren geplaatste tanden en hadden wel iets van Negers of van Australiërs. Volgens A. Penck dagteekenen deze beide geraamten uit het begin der interglaciale periode, die op den derden of hoofdijstijd volgt. Men heeft aan deze negroïde diluviale menschen naar den familienaam van den vorst van Monaco den naam gegeven van Grimaldi-ras. Misschien dateeren uit dezen zelfden tijd of volgens anderen uit eene nog vroegere interglaciale periode de sporen van den diluvialen mensch die te Taubach, een plaatsje bij Weimar, in 1878 gevonden werden door Rudolf Virchow, Alessandro Portis en Klopfleisch. In den zandigen oever van een voormalig meertje, verzamelden zij een aantal ruwe steenen werktuigen, alsmede beenderen van den ouden olifant (elephas antiquus), neushoren

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's