Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152

2 minuten leestijd

146 grot vond E. Lartet een hertgewei waarop de kop van een beer was gekrast. Het eerste kunstproduct van dien aard was echter reeds veel vroeger en wel in 1853 gevonden door Joly-Leterme in de grot van Chaffaud bij Savigné in het departement Vienne ; het was een been van een hert waarin twee dieren gesneden waren. De vinder zond het naar het museum van Cluny te Parijs ; daar werd het onder de Keltische voorwerpen gerangschikt en geraakte dientengevolge geheel in vergetelheid. Zeer bekend wegens de merkwaardige kunstprodukten uit den palaeolithischen tijd, die zij heeft opgeleverd, is de grot van Laugerie-basse aan de Vézère tegenover Tayac. Hier vond de Vibraye een uit een stuk rendiergewei gesneden magere vrouw zonder armen, waaraan men den naam gegeven heeft van Venus van Laugerie-basse. Verder werd in 1872 door E. Cartailhac een stuk been gevonden waarop een paar rendierpooten en daarnaast eene vrouw zonder hoofd gegrift waren. Girod en E. Massénat ontdekten hier teekeningen van een bison en een mensch, naast of onder elkaar gekrast in een been ; dit kunstwerk is sedert bekend onder den naam van de bisonjager. En Lartet en Christy vonden in dit hol een lang stuk van een rendiergewei, blijkbaar een dolk waarvan het handvat een rendier voorstelde. Onder de overhangende rots of rotsnis van La Madeleine, eveneens in het dal der Vézère werd in 1875 het merkwaardige stuk ivoor gevonden, waarin eene fraaie teekening van een mammoet was gekrast. De eerste die in eene grot wandschilderingen uit den diluvialen tijd ontdekte, was de Spanjaard Marcellino de Sautuola in 1880. Op de zijwanden en aan het gewelf der grot van Altamira bij Santander aan de noordkust van Spanje vond hij een aantal met bruine en zwarte kleuren geteekende voorstellingen van bisons, paarden, ezels, varkens en eene hinde. Cartailhac die de zaak wantrouwde, stelde een nauwgezet onderzoek in en vond er ook palaeolitische werktuigen uit het magdalénien. In 1902 en 1903 vonden hij en H. Breuil er ook gekleurde teekeningen die menschen moesten voorstellen. Cartailhac verklaarde zich nu ook voor de echtheid dezer muurschilderingen ; Massénat daarentegen liet zich niet overtuigen en bleef ze houden voor opzettelijke vervalschingen of voor krabbelteekeningen van veel jonger tijd. Uit de ten N. van Massat, aan den linkeroever der Arise, een

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's