Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 166

2 minuten leestijd

160

Door velen wordt nog een derde diluviaal menschenras aangenomen, namelijk het Cro-Magnonras of ras der Rendierjagers, zoo genoemd naar de bekende grot van Cro-Magnon, waar een rendierwervel met een steenen pijl daarin gevonden werd. Tot dit ras, dat uitmuntte door een schoonen lichaamsbouw, worden ook gerekend de jagers van Schussenried, het geraamte van Laugeriebasse, de lange menschen in de roode rots van Mentone en de bewoners der Johannsgrot bij Lautsch. De rendierjagers leefden tijdens de beschavingsperiode die door Q. de Mortillet met den naam van magdalénien is bestempeld en ongeveer samenvalt met de laatste ijsbedekking. Hunne schedels waren overwegend dolichocephaal. Sommigen beschouwen het Cro-Magnonras als eene vermenging der beide eerste rassen; de meeste ethnologen echter laten het afstammen van het Aurignacras. Het ras der rendierjagers muntte uit door kunstvaardigheid ; bijna al de vroeger vermelde wandschilderingen en gesneden en geschilderde dierenkoppen die in de holen van het dal der Vézère en van de Pyreneeën gevonden zijn, worden er aan toegeschreven. Onder hunne steenen werktuigen munten vooral uit lange, smalle, scherpe messen. Uit been maakten zij priemen en naalden, alsmede harpoenen die van een enkele of dubbele rij weerhaken voorzien waren. Eene zekere vermaardheid hebben de door hen vervaardigde „kommandostaven" (batons de commandement) verkregen. Dat zijn eenigszins gebogen, van 20 tot 30 centimeter lange staven van rendiergewei, die meestal eene opening bezaten dicht bij het stevigste uiteinde. Sommige waren echter op verschillende plaatsen doorboord. Gewoonlijk waren ze versierd met ingekraste teekeningen van dieren zooals rendieren, wilde paarden, visschen en slangen. Men hield ze eerst voor onderscheidingsteekenen van opperhoofden: vandaar de naam. Sommigen meenen dat deze beenen sieraden tooverstaven van priesters geweest zijn of misschien wel amuletten of beelden die vereerd werden, wijl men ze hield voor zetels van machtige geesten. Anderen houden ze eenvoudig voor jachttropeeën. Otto Schoetensack meent dat zulk een commandostaf gediend heeft tot sluiting van een kleedingstuk b.v. van een mantel. Hij stelt zich voor dat aan eiken voorsten rand van den mantel een koord of band was vastgemaakt, die aan het losse uiteinde van een houten of beenen pen voorzien was. Wilde

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 166

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's