1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 148
142 hebben. Volgens Klaatsch bezat dit fossiele menschenras den ineengedrongen bouw der Eskimo's, het stevige beenderenstelsel en het krachtige gebit der Afrikaansche negers, den lagen schedel en de vooruitstekende wenkbrauwbogen der Nieuwhollanders. Bij het opbreken eener straat te Brünn in Moravië vond men in 1891 in eene loslaag op eene diepte van ruim 4 meter een geheel menschengeraamte met allerlei sieradiën van steen en been. In de nabijheid lagen talrijke beenderen van mammoet, rhinoceros, paard en rendier. Door Alexander Makowsky is deze vondst nauwkeurig onderzocht en beschreven. De schedel was dolichocephaal (langhoofdig) en goed gevormd. Vooral merkwaardig was een ivoren beeld, vermoedelijk een afgodsbeeld, voorstellende eene menschelijke figuur, waarvan vooral de linkerarm zeer zorgvuldig is bewerkt. Een dergelijke schedel als te Brünn was ook reeds in 1888 door Elliot in eene zandlaag op de kalkrots van Galley-Hill bij Nordfleet niet ver van den mond der Theems gevonden naast een aantal palaeolithische werktuigen. Deze vondst werd echter eerst in 1895 door E. T. Newton beschreven. Dat er in den diluvialen tijd ook menschen in het Harzgebergte woonden blijkt uit de opgravingen, die in 1891 en 1892 onder leiding van den Nederlander J. H. Kloos (1842—1901) en den Duitscher Blasius gedaan werden in de bekende Hermannshöhle bij Rübeland aan de Bode. Men vond hier beenderen o.a. van holenbeer, holenleeuw, hert, hamster, lemming, sneeuwhaas, waarvan sommige door menschenhanden gespleten waren. Ook kwamen er een vuursteenen mes en een kunstig bewerkt stuk van het gewei van een hert te voorschijn. De Einhornhöhle leverde bovendien eenige menschenbeenderen. Zeer belangrijk zijn ook de opgravingen, door Jakob Nüesch van 1891 —1893 verricht aan den voet der rotsen, die samen den naam van Schweizersbild dragen en dicht bij de stad Schaffhausen gelegen zijn. De bovenste lagen leverden beenderen, potscherven, steenen en beenen werktuigen uit de neolithische periode. In 22 graven vond hij 27 menschelijke geraamten, waarvan sommige halssieraden van schelpen droegen en waaronder 5 dwergen met eene lengte van slechts 1.4 meter waren. Onderaan in eene gele laag, die stellig tot het palaeolithische tijdvak behoort, werden meer dan 14000 steenen werktuigen en vele beenderen van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's