Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 84

2 minuten leestijd

76

landstreken overdekken. Het ontstaan van landijs geschiedt geheel zelfstandig, geheel onafhankelijk van gletschervorming en hooggebergten, gelijk o.a. duidelijk blijkt uit waarnemingen en onderzoekingen, die in het centrale gedeelte van Zweden gedaan zijn. In de nabijheid van Östersund aan het Stor meer en aan den spoorweg van Trondhjem naar Sundsvall bevindt zich eene breede strook gemengd diluvium, dat uit eene vermenging bestaat van westelijke en oostelijke gesteenten. Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat een aantal dezer fragmenten van het O. naar het W. verschoven zijn en nu rijst de vraag hoe dit mogelijk was; naar het Z. en O. glijdende gletschers en in zuidoostelijke richting stroomende rivieren kunnen dit verschijnsel toch niet veroorzaakt hebben. Volgens LoziNSKi kan de verklaring geene andere zijn dan de volgende. Zonder twijfel was de geleidelijke afkoeling tijdens het begin van het diluvium het eerst merkbaar op de hooge bergtoppen en was daar oorzaak van de vorming van gletschers, die naar lager dal gleden en den bergvoet met eene ijskorst omgaven. Nu trad er eene soort van evenwichtstoestand in. De firn werd niet meer hooger en de gletschers niet meer grooter. Bij voortgaande afkoeling ontstond in oostelijk Zweden diluviaal landijs, dat van het O. naar het W. zich uitbreidde en zelfs voor een deel over het gletscherijs heenschoof. Dit laatste blijkt uit het feit, dat in de lager gelegen aardlagen van het gemengde diluvium bij Östersund de westelijke steen- en puinfragmenten en in de bovenste lagen de oostelijke gesteenten de overhand hebben. Iets dergelijks heeft men in Noordamerika aan den oostelijken voet der Rocky mountains opgemerkt. Verder meent LOZINSKI, en hierin is hij het dus wederom eens met de aanhangers der diluviale gletscherijstheorie, dat het van het O. komende en in de vlakte gevormde landijs in Zweden een dikte of hoogte moet bereikt hebben van 1000 tot 1500 meter wijl o.a. boven op den 1420 meter hoogen Areskoetan (ten N.W. van Östersund dicht bij de grens van Zweden en Noorwegen) erratische gesteenten van oostelijke afkomst aangetroffen worden. Reeds in 1881 merkte de geoloog FRIEDRICH PFAFF (1825— 1886) op dat het gladgepolijste graniet onzer standbeelden zelfs aan de opstaande zijvlakken reeds na dertig jaren duidelijk den invloed van het weer vertoont en van zijn glans heeft verloren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 84

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's