Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 130

2 minuten leestijd

124 onderzocht is dan in het overige van ons werelddeel, zoo ontstond hier in de laatste twee eeuwen de geheel nieuwe wetenschap, die we boven reeds genoemd hebben, namelijk de wetenschap van den voorhistorischen mensch. Skandinavische geleerden waren de eersten, die misschien wel daartoe opgewekt door den rijken sagenschat van hun land, onderzoek deden naar sporen van vroegere bewoners. Weldra vonden zij in den grond allerlei werktuigen, deels van steen, deels van metaal vervaardigd. Oude begraafplaatsen of hunebedden en schelphoopen of kjökkenmöddinger wezen er op dat in de Noorsche landen heel lang geleden volken woonden, die eene geheel andere levenswijze en eene veel lagere beschaving bezaten dan de tegenwoordige bewoners. Op sommige plaatsen vond men hoofdzakelijk ijzeren werktuigen, op andere bijna enkel bronzen kunstproducten en op nog andere werden bijna uitsluitend werktuigen van steen gevonden. Zoo kwamen de Skandinavische archaeologen er toe om in de aloude geschiedenis der menschheid drie perioden te onderscheiden : eene steenperiode, eene bronsperiode en eene ijzerperiode. De eerste is de oudste en de laatste zou volgens Jens Jakob Asmussen Worsaae (1821 — 1885) en Sophus Muller (geb. 1846) eerst omstreeks Jezus' geboorte in Skandinavië een aanvang hebben genomen. Deze verdeeling vond weldra algemeen ingang in al de landen van west- en middel-Europa. In overeenstemming hiermede had reeds voor Christus geboorte de Romeinsche dichter Titus Lucretius Carus (99—55 v. Chr.) in zijn gedicht „de natura rerum" gezongen dat handen, nagels en tanden, benevens steenen en boomtakken de oudste wapenen waren, dat men later ijzeren brons gebruikte, maar dat het gebruik van brons eerder bekend was dan dat van ijzer. De eerste die sommige stukken vuursteen inderdaad voor kunstproducten hield, was misschien Mercati, lijfarts van paus Clemens Vlll (1536—1605). Een paar van zulke vuursteenen werktuigen, die in het Vaticaan bewaard worden, beschouwde hij als wapens van [menschen voor den zondvloed. De beroemde plantkundige Antoine de Jussieu (1686—1758) vergeleek in 1723 vele in Frankrijk gevonden vuursteenen met die, welke door hedendaagsche wilde volksstammen vervaardigd en als wapenen gebruikt worden. In 1730 uitte de Brunswijksche geleerde Eccardus in zijn werk „de origine Germanorum" de bewering dat bij alle volken voor de kennis der metalen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 130

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's