1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 167
161 men nu het kleedingstuk van voren dicht maken, dan werd ieder dezer pennen door de opening of door een der openingen van den kommandostaf gestoken. Vooral op grond van den lichaamsbouw hebben sommigen gemeend dat de rendierjagers van Cro-Magnon na de laatste ijsbedekking met het rendier naar het N. zouden zijn verhuisd en in het gebied der Oostzee zouden zijn gaan wonen. Hunne nakomelingen zouden dan de neolithische menschen van Skandinavië zijn die daar de bekende schelphoopen hebben achtergelaten. Dit is echter niet zeer waarschijnlijk, want vooreerst zijn in de kjökkenmöddinger in 't geheel geen rendierbeenderen gevonden en in de tweede plaats miste de daar wonende mensch der jongere steenperiode geheel en al de kunstvaardigheid van het Cro-Magnonras. Eindelijk zijn er ook sporen van een palaeolithisch negerras in Europa ontdekt en wel onder in de grotte des enfants bij Mentone. Dit nog zeer hypothetische ras, waaraan door R. Verneau ter eere van een beroemde Genueesche familie waaruit de vorst van Monaco afstamt, de naam gegeven is van Grimaldiras, bezit in ons werelddeel misschien geene andere bekende vertegenwoordigers dan de beide kleine geraamten die in 1902 bij Mentone (dat vroeger tot Monaco behoorde) gevonden zijn. Deze geraamten, die van gemiddelde grootte en zeer scheeftandig zijn, worden voor veel ouder gehouden dan de overige in die grot gevonden skeletten ; terwijl de laatste tot het Cro-Magnonras behooren plaatst men de eerste in of voor den tijd der losjagers. Deze negroïden, die vooral in den vorm van schedel en bekken eenige overeenkomst vertoonen met de Afrikaansche negers, zouden met een aantal dieren zooals nijlpaard, Afrikaansche neushoren, zebra, wrattenzwijn (phacochoerus) uit Africa over Spanje naar Frankrijk zijn getrokken. Aan het Grimaldiras schrijven sommigen de kunstwerken toe die onder de namen van Venus van Brassempouy en Venus van Willendorf bekend zijn, alsmede eenige andere ivoren snijwerken uit de grotten van Le Mas d'Azil en Mentone, benevens de zonderlinge menschelijke figuren van den abri de Mège. Dit ras zou derhalve nog geleefd hebben tijdens het azilien of na den laatsten ijstijd. De Furfooz-menschen met hun hoog voorhoofd en korthoofdigen schedel, die in 1866 door E. Dupont in een hol aan de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's