1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 83
75 eilanden Nordlandet en Kirkeland een aantal vuursteenen werktuigen zooals pijlpunten, messen en krabbers uit de oudere steenperiode. De meening dat in Noorwegen eerst tijdens het neolithische tijdvak, dus na het diluvium, menschen hebben kunnen wonen, moet derhalve worden opgegeven ; Noorwegen werd reeds ten minste hier en daar in den ijstijd bewoond en dit feit kan moeilijk in overeenstemming gebracht worden met de theorie van ToRELL. Daarentegen sluit deze ontdekking zich geheel aan bij de resultaten, waartoe de geoloog KARL PETTERSEN reeds in 1885 kwam. Deze merkte op, dat noch op het aan de westkust van Noorwegen op bijna 70" N B. ten W. van Kvalö gelegen 100 meter hooge Ris eiland of Risö, noch op vele kleinere omliggende eilandjes gletscherkrassen op het granietgesteente aanwezig waren. Ook werd daar geen enkele zwerfsteen aangetroffen die afkomstig zou kunnen zijn van het Skandinavische gebergte. Evenmin werden dergelijke erratische steenen gevonden op het acht kilometer lange voor den mond der Balsfjörd ten O. van Kvalö liggende Troms eiland of Tromsö; er werden echter wel zwerfsteenen opgemerkt, die blijkbaar van het westelijke Kvalö afkomstig waren. De ijsstroom van den Balsfjörd heeft dus niet eens Tromsö bereikt. Indien nu het Noorsche gletscherijs niet tot in den oceaan is doorgedrongen, hoe zou het dan ooit in staat geweest zijn om door en over de geheele Noordzee heen te schuiven en ten slotte Engeland en ons land te bereiken ? Het schijnt derhalve wel noodzakelijk om het diluviale uitbreidingsgebied der Skandinavische gletschers zeer te beperken. Meent men echter toch eene ijsperiode voor noord-Europa te moeten aannemen, dan kan men er moeilijk van tusschen, om eene afzonderlijke vorming van zoetwaterijs of echt landijs in Zweden, de noord-Duitsche laagvlakte, Polen, Rusland, enz. te veronderstellen, ijsvormingen dus, die niets met gletschers te maken hebben. Dit wordt dan ook gedaan door den geoloog W. VON LOZINSKI, hoogleeraar te Lemberg, o.a. in zijne in 1912 verschenen verhandeling „Quartargeologische Beobachtungen und Betrachtungen aus Schweden". Er is, zoo meent hij, een groot verschil tusschen plaatselijke vergletscheringen van hooggebergten en tusschen landijsvormingen, die als gesloten ijsbedekkingen uitgestrekte
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's