Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 163

2 minuten leestijd

157 wenkbrauwbogen, een breede neus, krachtige kaken en tanden en een weinig of niet vooruitstekende kin zijn de belangrijkste kenmerken van dit ras. Na den hoofdijstijd schijnt het langzamerhand verdwenen te zijn. Weliswaar is het aantal ouddiluviale schedels, die onbetwistbaar echt zijn, vrij klein ; ook houdt men sommige schedels of gedeelten daarvan voor Neanderdalachtig die het hoogstwaarschijnlijk niet zijn ; verder heeft men te allen tijde en onder alle volken Neanderdalachtige schedels aangetroffen, doch dit neemt niet weg dat de meeste archaeologen en ethnologen het bestaan van dit ras volhouden. Over den beschavingstoesland der Neanderdalers valt weinig mee te deelen, wijl er behalve de behouwen steenen werktuigen geen bizondere kunstproducten van deze menschen gevonden zijn. In deze werktuigen merkt men echter eene langzame verbetering op. De vuursteenen werktuigen van het strépyien en van het acheuléen, het begin der diluviale periode waren zeer ruw behouwen en bezaten noch steel noch handvat. Zij waren meerendeels zoo groot als eene hand en geleken op groote amandels. Aan de basis waren ze afgerond en van boven toegespitst. Het afgeronde gedeelte werd zonder twijfel in de gesloten hand of vuist geklemd, zoodat de punt boven de vingers uitstak. Daarom hebben de Fransche archaeologen aan zulk een vuiststeen den naam gegeven van coup-de-poing; de Duitschers noemen dit primitieve werktuig Faustkeil. In het moustérien, dat tot aan de hoofdijsbedekking loopt en zijn naam ontleent aan het dorp Le Moustier, waar E. Lartet in 1863 in eene grot een aantal korte driehoekige steenen lanspunten vond, waren de steenen iets kleiner, minder ruw bewerkt, aan de kanten iets scherper en over 't geheel meer symmetrisch. Men kon reeds verschillende soorten onderscheiden zooals messen, krabbers, priemen, zagen. Anatomisch komen de menschen van het Neanderdalras vrij goed overeen met de Nieuwhollanders; we mogen ze dus ook voor welbespraakt houden en niet van verstand ontbloot. Gustav Schwalbe (geb. 1844), Hans Pohlig e.a. zijn het hiermede echter volstrekt niet eens ; zij beweren dat dit ras veel dichter bij den aap stond dan bij den mensch en dat het zich nog niet zoo ver had ontwikkeld dat het behoorlijk spreken kon. Dienvolgens was het naar hunne meening met de verstandelijke vermogens van de Neanderdalers ook maar treurig gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 163

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's