Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 143

2 minuten leestijd

137 het feit, dat men op ongeveer honderd meter afstand van de grot of rotsspleet die de beenderen bevatte, overblijfsels had gevonden van den diiuvialen neushoren (rhinoceros mercki), van holenbeer en holenhyaena en ook van den mammoet, reeds voldoende was om te kunnen constateeren dat de Neanderdalschedel uit den ouderen diiuvialen tijd afkomstig moet zijn. De reeds genoemde K. Fuhlrott hield het er voor dat de beenderen van den mensch, waarvan hier sprake is, door een stroom water in de rotsspleet zouden zijn gespoeld. Terwijl sommigen den schedel uit het Neanderdal houden voor dien van een mensch die iets aapachtigs bezat en misschien ter nauwernood kon spreken, zag Karl Vogt (1817—1895) er een idiotenschedel in en Rudolf Virchow (1821—1902) meende dat zijn bezitter aan jicht en aan Engelsche ziekte moet hebben geleden. Zeker is het dat er ook in den historischen tijd meermalen dergelijke schedels gevonden zijn en dat ook nog in den tegenwoordigen tijd bij volkomen normale en ontwikkelde menschen zulke schedelvormingen voorkomen. Zoo vond men b.v. in 1908 bij Nowosiolka in het Russische gouvernement Kiew in een hunebed of koergan, die uit den tijd der volksverhuizing dagteekent, een schedel die precies gelijkt op dien uit het Neanderdal en op de later te vermelden schedels van Spy, Krapina, Le Moustier en La Chapelle-aux-Saints, die alle in diluviale lagen gevonden werden. Ook over den inhoud van den Neanderdaler schedel zijn de geleerden het oneens. Terwijl velen het volumen voor weinig grooter houden dan dat van een chimpanzee-schedel en de Engelschman Thomas Henry Huxley (1825—1895) nietkon begrijpen hoe menschelijke hersenen in zulk een kleinen schedel konden besloten zijn, houdt A. Rauber den inhoud voor vrij groot en beweert Bayberger dat deze schedel in volumen zelfs die der hedendaagsche bewoners van Parijs overtreft. Een schedel, veel gelijkende op dien van het Neanderdal, werd in 1863 bij Olmo in het dal der Arno ontdekt. Hij lag 15 meter diep in eene vaste leemlaag en wordt door de meeste geleerden voor een echten ouddiluvialen schedel gehouden. S. Zaborowski schrijft er echter een veel geringeren ouderdom aan toe. Een paar jaren later vond Eduard Dupont in eene der grotten van Furfooz, een dorpje ten O. van Dinant nabij de Lesse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 143

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's