1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 116
no gesteld, dat het onderzoek op cholerabacillen-dragers, hoezeer van belang voor de bestrijding van cholera in het land zelf, bij het begin van een epidemie en in den loop daarvan, toch als maatregel van internationalen prophylaxis in het algemeen dient nagelaten te worden en beperkt tot schepen, waarop inderdaad cholera aan boord is voorgekomen, en tot die reizigers aan de landgrenzen, welke tot de naaste omgeving van een coleralijder behooren. Tot deze conclusie kwam de Sanitaire Conferentie niet, omdat zij het gevaar van die gezonde bacillendragers ontkende, integendeel ; maar omdat zij, op gronden die ik hier niet ontvouwen zal, het nut te klein en het gevaar niet groot genoeg achtte in verband met de groote moeielijkheden, die uit het opsporen der bacillendragers voortvloeien. Hier hebben wij nu een in onze dagen, heiaas zeldzaam voorkomend staal van durf, om tegen de bacillenvrees in te gaan ; des te opmerkelijker, omdat het hier inderdaad gaat om een terecht gevreesde ziekte, en het de vraag zal zijn, hoe het publiek dit zal opnemen ; niet, als er geen wolkje aan de lucht is, en men gemakkelijk gezeten op bureau of studeerkamer over al die zaken leest; maar dan, als waarlijk het gevaar voor de deur staat; als bijv. een groote Engelsche of Duitsche haven besmet is, en dagelijks honderden personen daarvandaan het land binnen komen; als de couranten in morgen- en avondeditie met vette letter het aantal sterfgevallen en niet zonder overdrijving het aantal verdachte gevallen afdrukken. Kortom als de bekende choleraangst om het hart slaat. Ik betwijfel, of het bij de tegenwoordige gesteldheid der geesten dan mogelijk zal zijn, om deze bacillenvrees tegen te staan, tenzij men in breeden kring terugkeere tot den regel, die naar Gods woord is : slechts de middelen aanwenden, die worden voorgeschreven, en voorts rustig staan in de uitkomst, die alleen in Gods hand ligt. Het staat hiermede veelszins als met het onweer; wie daardoor op de open hei wordt overvallen, weet op grond van de ervaring, dat hij grooter gevaar loopt van getroffen te worden, dan wie in de stad onder bescherming van hooge kerktorens en bliksemafleiders verkeert. De geloovige, die recht staat is dan toch niet overdreven bevreesd onder het knetteren van de donderslagen ; hij moge ontroerd zijn, doch hij is rustig, bidt dat hij behouden blijft en wacht af, wat God over hem gehengt. En
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's