1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 149
143 rendier, holenbeer, alpenhaas, veelvraat, poolvos, steenbok, korhoen gevonden; eindelijk teekeningen, deels op beenderen, deels op eene kalksteenplaat gekrast. Vooral deze 10 centimeter lange en 6 centimeter breede plaat van kalksteen is een zeer merkwaardig kunstproduct; aan beide zijden zijn teekeningen in de plaat gekrast en wel aan den eenen kant drie, aan den anderen kant vier dieren. Deze teekeningen, die door elkaar heen gewerkt zijn, stellen voor een mammoet, twee paarden en eenige steppenezels. In 1874 vond K. Merk in de twee uren ten N.O. van Schaffhausen gelegen Kesslershöhle of grot van Thayngen verschillende fraaie in been gekraste teekeningen en andere kunstvoortbrengsels, doch door verschillende geleerden zooals Johannes Ranke (geb. 1836) en Ludwig Lindenschmit (1809—1893) werden gewichtige bedenkingen geopperd tegen de echtheid der hier gevonden voorwerpen. Later bleek dat sommige, zooniet alle teekeningen door een der arbeiders vervaardigd waren. Wijl de onderzoeking der grot van Kessler toen gestaakt werd, ondernam Jakob Nüesch van 1898 tot 1904 nieuwe opgravingen en vond meer dan 2000 artefacten, waaronder behouwen steenen messen, zagen en schrabbers, bewerkte rendiergeweien, beenen pijlpunten en naalden, doorboorde schelpen en doorboorde dierentanden, kiezen en beenderen van mammoeten en eindelijk nog eenige menschenbeenderen die blijkbaar van pygmaeën of dwergen afkomstig waren. De nederzetting in de grot van Thayngen wordt door Nüesch geplaatst na den hoofdijstijd in de zoogenaamde rendierperiode. Eene ten N.W. van Praag in den heuvelrug Jeneralka gevestigde nederzetting van menschen uit het laatst der palaeolithische periode werd van 1895 tot 1899 door J. N. Woldrich onderzocht. Werktuigen van vuursteen, kwarts, jaspis en porfier, alsmede beenderen van mammoet, rendier, paard en neushoren kwamen in grooten getale aan den dag; menschenbeenderen werden echter niet gevonden. Overblijfsels van den palaeolithischen mensch, van zijne ruwe ongesicpen werktuigen en van zijne dierlijke tijdgenooten werden in 1899 en 1900 door Karl Gorjanovic Kramberger gevonden in een met diluviaal zand gevuld hol te Krapina, een dorp in Kroatië ten N. van Agram (Zagrab) aan het riviertje Krapinica en aan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's