Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 137

2 minuten leestijd

131 tweede helft der 19de eeuw vertoonen zij echter bijna overal op aarde eene inkrimping en verplaatsen zich hunne uiteinden bergwaarts. Van 1818 tot 1870 is de Rhónegletscher, die van den Galenstock afdaalt en waaruit de Rhone ontspringt, 600 meter achteruit geweken en van 1870 tot 1900 is hij wederom 850 meter korter geworden. Van 1895 tot 1906 heeft de bekende Beneden-Grindelwaldgletscher 280 meter in lengte verloren. Alleen in 1904 schoof het uiteinde van den Paradiesgletscher, die van den Rheinwaldhorn glijdt en waaruit de Achterrijn ontstaat, 22 meter achteruit en in 1905 verloor de Boven-Grindelwaldgletscher 32 meter in lengte. Iets dergelijks heeft nu volgens de geologen ook gedurende het diluvium plaats gehad, maar op veel reusachtiger schaal. Het is wel duidelijk dat, wanneer de groote gletschers van dien tijd grootendeels wegsmolten, er meermalen groote overstroomingen plaats hadden en daardoor is b.v. het Rijn- en Maasdiluvium en ook het los in ons land, België en Duitschland gevormd. Op het voetspoor van de Duitsche geologen Albrecht Penck (geb. 1858) en Eduard Bruckner (geb. 1862) neemt men vrij algemeen aan, dat er tijdens de diluviale periode vier ijsbedekkingen plaats vonden, die gescheiden worden door drie tijdvakken, waarin eene groote afsmelting der gletschers plaats vond en een aanzienlijk gedeelte van Europa weder ijsvrij werd. Deze vier ijstijden noemt men glaciale perioden ; zij hebben de namen ontvangen van Günz-, Mindel-, Riss- en Würmijstijd. De eerste hiervan is de oudste ; de voorlaatste is de belangrijkste. Daarom noemt men de derde glaciale periode ook wel den hoofdijstijd. Volgens den Nederlandschen geoloog Jan Lorié (geb. 1852) zouden ons land en Westfalen alleen met deze voorlaatste ijsbedekking hebben te doen gehad. De drie warmere tusschenijstijden dragen den naam van interglaciale perioden. Na den Würmijstijd bleven de gletschers ongeveer tot den omvang beperkt dien zij thans hebben en namen de alluviale of postglaciale vormingen een aanvang. Ook de aardkundigen, die stechts drie ijsbedekkingen aannemen, beschouwen de voorlaatste als de belangrijkste. Het meest bekende dier der diluviale periode is de mammoet (elephas primigenius). Van de andere toen in Europa levende olifanten noemen we slechts elephas meridionalis en elephas antiquus. Onder de neushorens is het best bekend de wolharige

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 137

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's