1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 150
144 den voet van den 847 meter hoogen Strahinscica gelegen. Het hol ligt 25 meter boven den tegenwoordigen waterspiegel der rivier die er vroeger waarschijnlijk doorheen stroomde, evenals de Lesse in België dat thans nog doet door de grot van Han. Naast eenige honderden vrij ruwe steenfragmenten en een aantal beenderen van rhinoceros antiquitatis, ursus spelaeus, bos primigenius, cervus euryceros, castor fiber, arctomys marmotta e.a. die voor een deel stuk geslagen en gebrand waren, leverde dit hol merkwaardige menschelijke overblijfsels op, die van individuen van verschillenden leeftijd afkomstig zijn en zoo zacht en bros waren, dat zij niet eens met een borstel konden worden schoongemaakt en slechts met de grootste moeite konden worden bewaard. Van ongeveer tien menschen zijn er beenderen gevonden, ook verscheiden schedelfragmenten. Deze laatste vertoonen vooral drie merkwaardigheden. In de eerste plaats zijn de kaken zeer krachtig en de tanden grooter dan bij den hedendaagschen mensch ; vooral de kiezen vertoonen groote emailplooien. In de tweede plaats zijn de wenkbrauwbogen zeer dik en steken ver naar voren uit, gelijk zulks ook o.a. het geval was met den schedel uit het Neanderdal en met de schedels uit de grot van Spy. Terwijl echter de laatstgenoemde schedels een laag en achteruitwijkend voorhoofd bezitten en daardoor wel iets aapachtigs hebben, bezitten de schedels van Krapina — en dit is de derde bizonderheid waarop we wilden wijzen — juist een zeer hoog voorhoofd en schijnen aan zeer intelligente menschen te hebben toebehoord. Dit laatste schijnt niet bizonder naar den zin te zijn van den heer Hans Pohlig en daarom tracht hij dit in zijn „Eiszeit und Urgeschichte des Menschen, Leipzig, 1911" zooveel mogelijk te verzwijgen. Hij beweert stoutweg dat er in het hol van Krapina aapmenschen hebben gewoond die precies op den mensch van het Neanderdal geleken, dat er daar overblijfsels van veel meer dan honderd Neanderdalmenschen gevonden zijn en dat deze resten er op wijzen, dat de mensch van Krapina een zeer weinig ontwikkeld spraakvermogen heeft gehad, wijl de binnenkindoorn, de aanhechtingsplaats van de kintongspier bij den „Neanderdalaapmensch" van Krapina slechts zwak ontwikkeld is. Wat Neanderdalmensch en binnenkindoorn van den Krapina-mensch echter met elkaar te maken hebben is niet zeer duidelijk: bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's