1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 139
133 later verloren geraakte. In 1828 maakte Journal bekend, dat hij in het hol van Bize bij Narbonne menschenbeenderen had gevonden, vermengd met beenderen van verschillende diluviale dieren, en in 1829 beschreef Christol in zijne „notice sur les ossements humains des cavernes du Gard" menschenbeenderen, die in lagen gevonden waren, waarin ook overblijfsels van diluviale neushorens en hyaena's voorkwamen. Weldra werden nieuwe ontdekkingen op dit gebied gedaan en wel in België. De Nederlandsche geleerde P. C. Schmerling, geboren te Delft, onderzocht in 1833 met buitengewone nauwkeurigheid en dikwijls met levensgevaar de grotten van Engihoul en Engis ten Z.W. van Luik, de eerste aan den rechter, de tweede aan den linker oever der Maas. Hij vond hier menschenbeenderen te midden van overblijfsels van geraamten van mammoeten, neushorens, holenberen en holenhyaena's. In de grot van Engis lag in eene nog ongestoorde laag een rhinocerostand op een goed gevormden menschenschedel en daarnaast eenige messen van vuursteen. Omstreeks denzelfden tijd deed A. Boué dergelijke vondsten bij Krems aan de Donau ten W. van Weenen. Het ging niet meer aan om al deze ontdekkingen dood te zwijgen, want hun aantal nam nog voortdurend toe. Men wees er echter op dat men uit dit alles nog niet mocht besluiten, dat de mensch tegelijk met de fossiele diluviale zoogdieren had geleefd, wijl het immers zeer goed mogelijk was dat er eene vermenging van oudere en jongere lagen had plaats gevonden. Inderdaad was dit ook op sommige plaatsen het geval, want er waren menigmaal ook potten en potscherven en bronzen voorwerpen mede opgegraven die blijkbaar tot een veel jongeren tijd behoorden. Hierbij kwam nog dat men zich niet durfde onttrekken aan het gezag van den beroemden onderzoeker der fossiele dieren Georges Cuvier (1769—1832), den schepper der palaeontologie. Deze invloedrijke Fransche geleerde had immers als zijne meening uitgesproken dat er geen fossiele menschen bestaan, en wie kon het beter weten dan Cuvier. Hij was het immers, die in vereeniging met den Nederlandschen geleerde Petrus Camper (1722—1789) had uitgemaakt, dat de zondvloedmensch, de homo diluvii testis, die in 1726 te Oeningen in Zwitserland gevonden was door Johann Jakob Scheuchzer (1672—1733) niets anders was dan het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's