1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 85
77 Wilden wij nu aannemen, zoo gaat hij voort, dat er sedert de ijsperiode vele duizenden van jaren verloopen zijn, hoe zou het dan mogelijk wezen, dat wij thans nog zoo duidelijk de krassen en strepen, de glans en polijsting der rotswanden en moreenenblokken kunnen waarnemen ? Juist de omstandigheid, dat deze nog zoo goed kenbaar zijn, wijst er op dat de ijstijd nog niet zeer ver achter ons ligt. ^) Ook LoziNSKi nam dit verschijnsel in 1910 in Zweden waar. Zoo zegt hij o.a. in de reeds genoemd verhandeling: „Zoowel op den rug als op de hellingen van den Areskoetan wordt men getroffen door de onvergelijkelijke frischheid, die de door het ijs gepolijste rondkoppen of rondbultige rotsen, alsmede de hier en daar daarop liggende zwerfblokken tot op heden behouden hebben. Men verkrijgt den indruk, alsof de Areskoetan eerst pas van het landijs is bevrijd geworden." Volgens LoziNSKi hebben dus noord-Duitschland en aangrenzende landstreken wel een ijstijd gehad, doch heeft het ijs dat hier zoo vele sporen heeft achtergelaten niets te maken met het Skandinavische gletscherijs, maar moet gehouden worden voor echt landijs, dat hier en daar in de vlakke streken, zelfs in Zweden, geheel onafhankelijk van firn en gletscher is ontstaan. Nu komt het mij voor, dat echt landijs of zoetwaterijs maar niet zoo gemakkelijk gevormd wordt: eene enorm lage temperatuur, een zeer koud klimaat, een vrij aanzienlijke neerslag in de gedaante van sneeuw — men denke slechts aan Groenland en aan de Zuidpoollanden — schijnt daarvoor noodig te zijn. Men kan daarom de vraag stellen of er in de reeds meermalen genoemde landstreken werkelijk zulk een koud klimaat, zulk eene bizonder lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur heeft geheerscht. Het schijnt moeilijk hierop een bevestigend antwoord te geven, want over 't algemeen neemt men aan, dat een gemiddelde jaarlijksche temperatuursverlaging van slechts enkele graden voldoende zou wezen om in middel- en noord-Europa wederom een ijstijd te doen ontstaan. Volgens eene berekening van EDUARD BRUCKNER (geb. 1862) zou deze temperatuursverlaging drie graden niet behoeven te overschrijden. Doch hoe dit ook zij, uit het voorgaande blijkt voldoende, dat 1) Dr. F. Pfaff, Schöpfungsgeschichte, Heidelberg, pag. 713.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's