Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 144

2 minuten leestijd

138 en wel in de grot du Frontal naast talrijke rendierbeenderen, vuursteenen messen, slakkenhuisjes, doorboorde vioeispaathkristailen en stukken eener urn eene menigte menschenbeenderen, waaronder een paar goed bewaarde en goed gevormde schedels. Zij hadden een hoog voorhoofd, bezaten een vrij grooten inhoud en waren brachycephaal of korthoofdig. Niet ver van deze grot, aan den linker oever der Lesse bij het dorp Chaleux ligt de grot van La Naulette. Hier ontdekte E.' Dupont in 1866 onder eene laag stalagmieten (druipsteenvormingen) te midden van mammoet-, rendier- en neushorenbeenderen eene onderkaak van eene vrouw, die eene zekere vermaardheid heeft verkregen, wijl G. de Mortillet beweerde, dat deze vrouw niet of nauwelijks heeft kunnen spreken. De kin was namelijk weinig vooruitstekend en aan de binnenzijde der kin was bijna geen spoor aanwezig van den binnenkindoorn (spina mentalis interna) waaraan zich de voor het spreken zoo belangrijke kintongspier (musculus genioglossus) bevindt die de tong naar voren trekt. Het schijnt echter dat dit laatste verschijnsel zich ook wel voordoet bij hedendaagsche Europeanen ; in mijn bezit is ten minste een volledige schedel uit Romerswaal, waaraan de binnenkindoorn nauwelijks is waar te nemen. Ook het schedelfragment dat in hetzelfde jaar door Faudel bij Egisheim in den Elzas, ten Z. van Colmar werd opgedolven, verdient vermelding. Het lag^meer dan twee meter diep in eene diluviale kleilaag in de nabijheid van beenderen van mammoet en hoienbeer, bezit een laag voorhoofd en vooruitspringende, wenkbrauwbogen en schijnt langhoofdig of dolichocephaal, In het laatste gedeelte van den ijstijd leefden de rendierjagers van Schussenried, die hunne sporen hebben nagelaten in het Z. van Wurttemberg bij de bron van het riviertje Schussen dat in het meer van Constanz uitloopt. In 1865 ontdekte Oscar Fraas (1810—1897) daar een aantal beenderen van wolf, beer en poolvos, een aantal bewerkte rendiergeweien benevens eene menigte vuursteenen werktuigen. Beenderen van olifant en neushoren, van holenbeer en holenhyaena ontbreken; ook werd geen enkel menschenbeen gevonden. Van deze rendierjagers werden later nog meer sporen ontdekt, o.a. te Cro-Magnon, Laugerie-basse, Mentone en Lautsch. In 1866 werd door H. de Ferry en Arcelin het beroemde been-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 144

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's