1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 142
136
fossiele beenderen van zoogdieren uit de oudere diluviale periode. De schedel van dezen „homo pampaeus" is breed en heeft volgens Ameghino iets aapachtigs; het voorhoofd is bizonder klein doch de hersenkas komt in grootte ongeveer overeen met die der thans levende menschen. De kaken zijn krachtig ontwikkeld, de oogholten zeer groot. Ameghino en Sergi meenen dat dit geraamte de oudste type van den mensch vertegenwoordigt en tot de tertiaire periode moet gerekend worden. Volgens Robert Lehmann-Nitsche, hoogleeraar aan de universiteit te La Plata, komt deze schedel echter vrij wel overeen met die der oudste Patagoniërs, Keeren we nu naar Europa terug. Onder de diluviale schedels is er misschien geen enkele die, niet alleen in de kringen der geleerden, maar ook daarbuiten onder alle beschaafde volken van ons werelddeel eene zoo groote vermaardheid heeft verkregen als het schedelfragment, dat in 1856 in het Neanderdal tusschen Düsseldorf en Elberfeld gevonden werd en thans in het Provinzialmuseum te Bonn bewaard wordt. Bij het opruimen van een hol, de Feldhofer grot in het kalkgebergte van dat dal werden, 18 meter boven het tegenwoordige niveau der Düssel, door arbeiders verschillende deelen van een menschengeraamte gevonden, waarvan Karl Fuhirott (1804—1877) een schedel zonder onderkaak, een opperarmbeen, een sleutelbeen, een dijbeen en een stuk van het bekken wist te verkrijgen en voor de wetenschap te bewaren. Uit nauwkeurige metingen van deze stukken in 1902 door Gustav Schwalbe (geb. 1844) en Hermann Klaatsch bleek dat deze mensch van het Neanderdal eene lengte heeft gehad van 1.62 meter en in dit opzicht dus niet van een Europeaan verschilt. De schedel vertoont echter eenige afwijkingen van het normale type; de hersenpan is zeer dik, het voorhoofd is laag en achteruitwijkend en de wenkbrauwbogen steken zeer sterk vooruit. In vele opzichten werd deze schedel tot een twistappel onder de geleerden. Sommige geologen, o.a. H. Rauff in 1903 en Wilhelm Branca in 1910 achtten het in 't geheel niet bewezen dat de hier gevonden beenderen van diluvialen oorsprong zouden zijn; zij beweerden dat de geologische laag waarin die fragmenten ontdekt waren, niet voldoende was onderzocht en dat haar ouderdom niet kon worden vastgesteld. Anderen daarentegen meenden dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's