Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 82

2 minuten leestijd

74

hooggebergtegletschers te maken te hebben; ook vervoert he geen erratische steenen. Doch ook afgescheiden hiervan schijnt het, vooral mede op grond van nieuwere onderzoekingen, moeilijk om vol te houden dat de Noorsche gletschers eens ons land en noord-Duitschland overstroomden. Immers de firn kwam tijdens het diluvium in hoogte en in volumen ongeveer met die van den tegenwoordigen tijd overeen. Dit blijkt uit eene waarneming in het jaar 1905 door EBELING gedaan bij den Jostedalsbrae, een tot 2070 meter hoog opstijgend firnveld in westelijk Noorwegen ten N. van den Sognefjord. EBELING nam waar dat de hooge boven dit ijsveld uitstekende rotsgevaarten verweerd waren en door puin omringd, terwijl de rotspunten, die er slechts een weinig boven uitstaken, glad gepolijst en niet verweerd waren. Hieruit volgt dat tijdens het diluvium de laagste toppen door de firn bedekt en voor verweering gevrijwaard waren, maar dat de hoogste rotspunten ook toen reeds boven de sneeuw uitstaken, zoodat het firnplateau in den ijstijd slechts weinig hooger kan geweest zijn dan thans. Het schijnt niet gewaagd hieruit af te leiden dat, al mogen er van deze firnophooping ook grootere gletschers zijn afgedaald dan thans, de laatste toch steeds een tot de naaste omgeving beperkten omgang bleven behouden, die zij niet konden overschrijden. Immers de firnophooping neemt niet onbegrensd toe en zij kan daarom ook geen aanleiding geven tot de vorming van landijs. In de hypothese van TORELL ligt daarentegen opgesloten, dat Skandinavië in de glaciale periode geheel door een onafgebroken mantel van ijs moet bedekt geweest zijn. Dit is ook de meening van den „ijsgeoloog" HANS POHLIG, hoogleeraar te Bonn. Op blz. 44 van zijn „Eiszeit und Urgeschichte des Menschen, Leipzig 1911" toch beweert hij, dat Skandinavië in den grooten ijstijd volkomen, met inbegrip ook der hoogste bergtoppen, door gletscherijs bedekt was, dat ten slotte er geen enkele rotspunt meer boven uitstak en dat daarom Skandinavië, zelfs in zijne hoogste verheffingen, niets anders vertoont dan door het ijs afgeslepen berg- en rotsvormen. Dit nu is blijkbaar niet volkomen juist. De waarneming van EBELING spreekt het ten minste tegen. Maar er is meer. In het jaar 1911 vond men in noordelijk Noorwegen en wel op de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 82

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's