1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 145
139 derenveld van Solutré bij Macon aan de Saöne ontdekt. Aan den voet eener steile rots was de bodem over eene lengte van meer dan 100 meter en eene oppervlakte van bijna 4000 vierk. meter bedekt met eene hier en daar 2 meter dikke laag beenderen van paarden, vermengd met weinige overblijfsels van rendieren, olifanten, oerossen en herten. Ook enkele menschenbeenderen en steenen werktuigen waren aanwezig. Van meer dan 40000 paarden zijn hier de beenderen opgegraven, zoodat er niet aan getwijfeld kan worden dat op deze plaats, crot- of clos-du-charnier geheeten, vroeger menschen geleefd hebben die zich vooral met de jacht bezig hielden en zich hoofdzakelijk met paardenvleesch voedden. Van zulke jagers, waaraan men den naam van losjagers gegeven heeft, meent men ook sporen ontdekt te hebben te Przedmost, Galley Hill, Brünn en Combe-Capelle. Door Louis Lartet (1840—1899) en H. Christy werd in 1868 te CroMagnon aan de Vézère, een zijtak van de Dordogne een grot ontdekt en onderzocht. Zij bevatte naast beenderen van mammoet en andere uitgestorven dieren een aantal ruwe steenen gereedschappen, eene menigte doorboorde schelpen en 5 menschengeraamten die eene lengte van 1.75 meter hadden en fraai gevormde dolichocephale schedels bezaten. Een vrouwenschedel vertoont in het hooge voorhoofd een gat, vermoedelijk veroorzaakt door een daartegen geslingerde steenen bijl. In een der holen van ditzelfde landschap Périgord vonden zij ook een rendierwervel, waarin nog de steenen pijl zat waarmede het dier blijkbaar gewond was. Men heeft zich dus hier ook met het jagen van rendieren bezig gehouden. Rijk aan holen is de Zwabische Jura of Rauhe Alb, eene hoogvlakte, wier breedste gedeelte in Wurttemburg ligt en ook den naam draagt van Holenjura. Een der beroemdste grotten van dit kalkplateau is de Hohlefels bij Schelklingen ten W. van Ulm. Dit in het dal der Ach gelegen hol, dat in 1871 door O. Fraas werd onderzocht, strekte eens den jongeren diluvialen mensch tot woonplaats. Men vond er een groot aantal beenderen van mammoet, neushoren, rendier en holenbeer, doch slechts weinig steenen werktuigen. Daarentegen was het aantal beenen artefacten zeer groot; halve onderkaken van beren waren in groote menigte voorhanden. In deze onderkaken die tot bijlen vervormd waren, had men den hoektand laten zitten. Elie Massénat, Lalande en Emile Cartailhac vonden in 1872 te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's