1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 53
45 mogelijkheid bestaan, dat de Schepper op een gegeven oogenblik de doode stof formeerde óf, dat in den aanvang het heelal zóó geschapen is, dat dit ontstaan eener nieuwe kiem (door samentreffen van afzonderlijke oorzakenreeksen) gepraeformeerd en gepraedestineerd w a s ; aan welke laatste opvatting wij reeds eenmaal de voorkeur gaven. Nu weet men echter, dat de fauna en flora van heden eene andere is, dan die welke voor duizenden jaren op aarde bestond en we hebben dus het probleem te beantwoorden, op welke wijze deze nieuwere levensvormen tot stand zijn gekomen. Na het voorafgaande is het antwoord eenvoudiger. Nemen wij aan, dat de nieuwere soorten uit vroegere zijn ontstaan, zoo kunnen wij naar de oorzaken van een dergelijke ontwikkeling der soorten vragen. Na den strijd tusschen LAMARCK, en GEOFFRO S T . H I LAiRES, bleef het vraagstuk rusten tot DARWIN met zijn groot werk verscheen, waarbij het eigenlijk leidende beginsel de selectietheorie was. Deze theorie beoogt, dat van elke (in overmaat geproduceerde) nieuwe generatie, in den strijd om het bestaan, de best aangepaste overblijven. Het meer of minder aangepast zijn, tracht DARWIN te verklaren uit de geringe verschillen (variaties), welke de afstammelingen van een paar ouders onder elkaar vertoonen. In dezen vorm is het Darwinisme vaak en op vele gronden weerlegd. Ten eenenmale zijn variaties niet erfelijk, ten tweede geeft bastaardeering terugslag of onvruchtbaarheid, ten derde treden in de organismengeschiedenis meer katastrophische veranderingen dan geleidelijke veranderingen op (CUVIER). Verder kunnen daarbij wel ondoelmatige organismen te niet gaan, echter niet doelmatige zich vormen. Verder zijn de meeste verschillen tusschen soorten en families van dien aard, dat zij biologisch geheel indifferent kunnen worden beschouwd. Eindelijk is, zooals WASMANN opmerkt, in den oudsten palaeöntologischen tijd reeds een indeeling in orden, families, enz., en „Keineswegs jenes Chaos von unmerklich kleinen Variationen, das sie nach der Selektionstheorie aufweisen müssten. De uitbreidingen door WEISSMAN in zijn „Germinal-Selection" gegeven, kunnen de genoemde bezwaren niet uit den weg ruimen. Heeft dus de selectietheorie van DARWIN niet aan de draagwijdte beantwoord, die velen ervan verwachtten, de kritiek trof behalve de feitelijke selectietheorie (WIGAND, W O L F F , PAULY, DRIESCH)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's