1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 51
43
het vee en het kruipend gedierte." Mocht voor onze oogen zich ooit (en a priori laat zich dit niet vooruit zeggen!) uit doode stof werkelijke levende stof vormen, geen eerlijk natuuronderzoeker zou meenen, dat óf hijzelf de schepper zou zijn, óf het toeval de atomen in dezen wonderbaren toestand zou hebben gebracht. Eindelijk kan ik niet nalaten, erop te wijzen, dat de invoering van een immaterieel levensprincipe (zooals de neovitalisten dit meenen noodig te hebben) öf naast God en de door hem geschapen zielen nog andere immateriëele eenheden veronderstelt, welke, binnen zekere grenzen, naar willekeur (anders zouden het physico-chemische krachten zijn) over de stoffen, waarin ze huizen, heerschen öf in de levende substantie (of cel ? of orgaan ? of organisme ?) een deel van God veronderstelt, waardoor de zoo noodzakelijke en uitsluitend denkbare scheiding tusschen Schepper en Schepping vervalt. In deze gedachtengang kan ik de overtuiging niet van mij afzetten, dat het neovitalisme min of meer inleiding, toelichting of motiveering is voor pantheïstische en psychisch-monistische wereldbeschouwingen. Hier tegenover staan wij, op grond van onze algemeene en bijzondere kennis, met de zekerheid van het dualisme, God en de wereld ; de mensch en de ziel. Wat onze feitelijke kennis omtrent de „Urzeugung" betreft, kan ik kort zijn. De pogingen om levende cellen te vervaardigen of te laten ontstaan, kunnen zelfs niet voor ernstig genoeg worden aangezien, om een bespreking of kritiek noodig te maken. Alleen zij opgemerkt, dat voor een mogelijk transport van Heliozoïsme
i
j
i•
>
i
i
J
levende kiemen van de eene planeet naar een andere, naar mijne meening eenige onomstootelijke motieven zijn aan te voeren (stralingsdruk ARRHENIUS), Dat met het heliozoisme het ontstaan van de levende stof uit de doode zelfs niet wordt aangeroerd, is duidelijk. Anderzijds meen ik, dat het niet is uitgesloten, dat de theorie van ARRHENIUS met die van MERESCHKOWSKY in verband kon worden gebracht. Deze laatste onderscheidt namelijk tweeërlei levende stof. Hij noemt deze het mykoplasma en amoëboplasma. De eigenschappen van 't mykoplasma komen overeen met die van de bacteriën, schimmels enz. Zij zijn: minimale grootte, geen organisatie (structuur), niet uit kleinere levende eenheden bestaande, mogelijkheid hooge temperaturen te doorstaan, mogelijkheid zonder
*•
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's