Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 190

2 minuten leestijd

180 'gemeentebesturen behouden de bevoegdheid tot het vaststellen van reglementen of verordeningen tot voorkoming, wering of beteugeling van besmettelijke ziekten, voor zoover zij niet in strijd zijn met de bepalingen der wet." MR. DiCKE besluit dan ook: „Krachtens art. 29 is het derhalve geoorloofd dat de provincie, of waar deze het niet doet de gemeente directen vaccinedwang of gedwongen revaccinatie invoert." Achtereenvolgens worden weergegeven de wetgevingen omtrent de vaccinatie in Duitschland, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, waarbij opvalt, dat Engeland, het land der vrijheid, in 1855 de vaccinatie verplichtend stelde, terwijl in Frankrijk in 1843 de vaccinatie slechts bevorderd werd door aanmoediging. Daarop wordt nagegaan de wetgeving in Nederland van 't jaar 1808 af. In deze wet werden reeds degenen, die uit de publieke kassen onderstand genoten, of in openbare stichtingen opgenomen waren, verder officieren en soldaten gedwongen zich te laten vaccineeren. Bovendien namen provinciën en gemeenten nog maatregelen tot regeling der vaccinatie van min of meer verstrekkende gevolgen. Zoo reeds vaccinatie dwang voor de schoolgaande jeugd in Friesland. „Wat Amsterdam betreft, in 1808 werd bepaald geen ongevaccineerde kinderen tot de scholen toe te laten tijdens een epidemie. In 1812 echter werd het schoolgaan verboden op de stads-, armen- of bijzondere scholen, wanneer niet vooraf het bewijs van vaccinatie ingeleverd was of het bewijs dat het kind de pokziekte gehad heeft. In 1823 wordt onder den drang der omstandigheden gelast de bepalingen in allen opzigte te doen naleven en ten krachtigste te handhaven. De hoofden der scholen werden verplicht in dezen een nauwkeurig onderzoek te doen." „Ook in de verordening van 1 Juni 1859 worden degenen, die onderstand genieten, verplicht de aan hun zorg toevertrouwde kinderen te laten inenten, voorzooverre zij niet reeds de pokken gehad hebben of reeds ingeënt waren, en de hoofden van openbare en bijzondere scholen verboden kinderen zonder bewijs van inenting of gehad hebben van pokken toe te laten. In beide gevallen echter mocht om gezondheidsredenen de koepokinenting uitgesteld worden. In 1865 wordt dezelfde bepaling gehandhaafd. Breedvoerig wordt de geschiedenis van ontwerp tot wet van art. 17 van de wet op de besmettelijke ziekten vermeld, en daaruit geconcludeerd, dat dit niet een verkapte oplegging van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's

1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 190

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's