1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 54
46
nog meer de algemeene levens- en wereldbeschouwingen die de z.g, navolgers van DARWIN op de selectietheorie baseerden. Immers waar DARWIN het ontstaan van den bouw (doelmatigheid) der organismen, niet als een ontwikkeling van een Idee beschouwde, maar als ontstaan door samenloop der omstandigheden (toeval), daar kan men historisch begrijpen hoe het materialistisch-monisme (HAECKEL) en nog meer de populariseering daarvan (FRANCE, QÜNTHER) zich hebben ontwikkeld. Onafhankelijk echter van de kritiek der selectictheorie, staat de kritiek van dit Haeckelismus, door WASMANN als „Materialistischer Atheïsmus" Haeckelismus
,
, .
.
j
u
i
j
-i
j
terecht genoemd en veroordeeld. In de uitnemende evolutie-rede van KUYPER wordt deze veroordeeling op grond van ethische, aestetische en religieuse redenen voldoende gemotiveerd en het zou mij te ver buiten het thema van dit opstel voeren, wanneer ik deze motieven mede kritisch onderzocht. Alleen wil mij de opmerking van het hart, dat hoe fataal ook de wetenschappelijke en sociale invloed van HAECKEL is geweest, DARWIN in mijne oogen als het toonbeeld van een edel geleerde blijft bestaan, waarvoor ik de bewondering blijf koesteren, waarvan mijn leermeester PLACE in zoo hooge mate herhaaldelijk getuigde. Vooral de studies over het variëeren van huisdieren en cultuurplanten, als de ervaringen op de reis met de Beagle opgedaan, maken den indruk van groot scherpzinnig waarnemen en oprechte eerlijkheid. Hunne beteekenis voor wetenschap en praktijk zijn niet hoog genoeg te schatten. Hebben wij boven reeds het ontstaan der levende materie uit de doode stof, op grond van de in de doode stof gepraeformeerde en gepraedestineerde Idee mogelijk geacht, zoo werden wij daarin versterkt door een gedachtengang, welke WASMANN als volgt uitdrukt: „Gott greift nicht unmittelbar in die Naturordnung ein, WO er durch natürliche Ursachen wirken kann." WASMANN meent, dit naar aanleiding van palaeöntologische studies, die een ontwikkeling van de eene soort uit de andere, voor bepaalde dieren, zoo goed als zeker stellen. Wij kunnen dit geheel mei hem eens zijn, evenzoo met de opvatting, dat uit meer dan een stam vermoedelijk de dier- en plantensoorten zijn ontstaan. Van de vele ontwikkelingshypothesen (WIGAND, NaOELi, EiMER, DE VRIES), Welke zich niet op de natuurkeuze uit variëteiten baseeren, kunnen wij, op wetenschappelijke
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's