1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 37
29 waarbij de chromatinedraad zich immers in de lengte deelt. Er is dus van een deeling der machinerie geen sprake, daar aangenomen wordt, dat de z.g. determinanten zich zelf door assimilatie aanvullen. Alvorens de theorie der determinanten nader te bespreken, wil ik er nogmaals op wijzen, dat de samenhang der beide vorige hoofdstukken met het probleem der erfelijkheid (functie der kiemcel) ons tot de conclusie dwingt, dat wij in de kiemcel (kern) de stoffelijke dragers der erfelijke eigenschappen hebben te zien. Welke zijn nu deze erfelijke eigenschappen. Erfelijke eigen- j^^^^^^ DARWIN op, dat het aantal erfelijke eigenschappen. ^ J o schappen een enorm aantal moet zijn, daar immers elk anatomisch deel met al zijne variaties erfelijk is, zoo merkt DE VRIES op, dat men met den besten wil van een hoogere plant of dier niet meer dan 6000 eigenschappen kan opteekenen. Het komt mij voor, dat hiermede die eigenschappen bedoeld worden, welke een plant of dier dusdanig kenmerken, dat zij systematisch daarmede geheel zijn gedefinieerd. Bij de vraag echter naar het aantal eigenschappen in het algemeen, kan men van elk dier (en plant) steeds meer opnoemen, al naar men het beter kent. Welk een aantal eigenschappen kan de physicus en de chemicus aan een chemisch element reeds toeschrijven ! Bij een beschrijving van een dergelijke stof (b.v. ijzer) zal men tevens tot hare kenmerken rekenen, de wijze waarop deze substantie in reactie treedt, zoowel onder verschillende physische als chemische conditiën. Evenzoo weet de tuinman meer van één bepaalde linde in zijn tuin en de jager meer van zijn hond, dan de systematicus, die het organisme meestal slechts anatomisch kent, en zelfs eenigszins meer verwikkelde physiologische eigenschappen (b.v.) reflexmechanismen (SHERRINGTON) ignoreert. Voegen wij aan de anatomisch een physiologische eigenschappen nog een onnoemlijk aantal toe, die wij niet kennen, waarvan echter zoo nu en dan een enkele aan het licht komt. Zoo leeren de studies van FRIEDENTHAL, dat de eiwitten zelfs van na-verwante dieren belangrijke verschillen vertoonen. JENSEN wees er bijv. op, dat de pseudopodiën van een en dezelfde Rhizopode onder elkaar bij aanraking versmelten kunnen ; wanneer echter de pseudopodiën van twee dieren elkaar raken, zoo treedt geen versmelting op, maar de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's