1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 42
34 definiëeren wij een physiologische eigenschap (in engeren zin) als het resultaat van de normale werking der physische en chemische krachten in levende cellen of celverbanden, wij hebben het volste recht een anatomische eigenschap het resultaat te noemen van de physiologische werkzaamheid der cellen van het embryo. Werpt deze beschouwing eenerzijds (vooral wanneer omtrent de oorzaken der celdeeling en richting der celdeeling ook maar eenig licht is verspreid) een bijzonder helder schijnsel over het probleem van den samenhang tusschen orgaanbouw en orgaanfunctie ; anderszijds, (en daarmede hebben we ons hier bezig te houden) vereenvoudigt dit beginsel het erfelijkheidsprobleem in belangrijke mate. Immers de lichamelijke eigenschappen der organismen kan men volledig opsommen door de physiologische werkzaamheid van hare onderdeelen te noemen en wel in elk stadium van af de eerste celdeeling tot den dood toe. Ik spreek hier van de werkzaamheid der onderdeelen, om daarmede aan te duiden, dat behalve de functioneele waarde van elke cel, ook (en vaak) aandacht moet worden geschonken, zoowel aan de eigenschappen van celverbanden (orgaan) en orgaanverbanden (systemen) als aan de samenstelling der lichaamsvochten en het chemisch verband (hormonen) der organen onderling. Dat wij gemakshalve vaak het resultaat der functie (anatomische eigenschap) voor de functie zelf zetten, moge historisch begrijpelijk zijn, de gevaarlijke gevolgen voor het begrip der erfelijkheids leer vindt men spoedig terug, in de verwarde denkbeelden omtrent aantal en bouw der determinanten. Was de erfelijkheid van de reflexen en reflex coördinaties zoo goed als geheel onbegrijpelijk (JORDAN), zelfs eenvoudige dingen, als de erfelijkheid der pigmentatie werden verkeerd verstaan. Voor elke kleur werd namelijk één determinant verondersteld, waarvan dan bij kruizingen één domineerde boven de andere in bepaalde cellen der huid. Nu zijn het juist de nieuwere studies omtrent de erfelijkheid der kleur, welke andere inzichten aan het licht hebben gebracht, die geheel in het kader van onze beschouwingen vallen (BAKSON). Men kan namelijk door de studie der kruisingen (vooral bij hoenders) aantoonen, dat er voor de vorming van één pigment twee factoren noodig zijn, welke afzonderlijk kunnen worden geërfd. Eene ervan is oorzaak tot de afscheiding van een chromogeen, waaruit de kleurstof kan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's