1912-1913 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 124
116 bloedsomloop werd voorbijgezien. De drenkeling ademde niet en dus moest men de kunstmatige ademhaling toepassen. Hoe krachtiger des te beter. Of de methode physiologisch juist was uitgedacht, deed niets ter zake. De beslissing was eenvoudig aan den spirometer. De gevaren van de zijde van het rechter hart zag men voorbij, die van lever- of miltverscheuring werden misschien even genoemd maar slecht begrepen, die van verstikking of van adspiratiepneumonie door het uitdrijven van den maaginhoud werden zoo slecht verstaan, dat men zelfs het uitdrijven van dien inhoud en het laten uitvloeien daarvan toejuichte ! De gevaren van het achteruitzakken van de tong bij rugligging werden daarentegen al te breed uitgemeten door de voorstanders van de buikligging. Op het oogenblik kan men wel zeggen, dat in Nederland de strijd is tot rust gekomen en dat zij, die daarin belang hebben gesteld, tot de overtuiging zijn gekomen, dat het non nocere zeker wel in de allereerste plaats dient te worden in het oog gehouden bij het te hulp komen van hen, wier kwijnende levensvlam door een onphysiologisch handelen uiterst gemakkelijk kan worden uitgebluscht. Indien iemand zegt, dat dit immers van zelf spreekt, dan toont hij toch een vreemdeling te zijn in hetgeen ons de praktijk van het menschlievend (althans menschlievend bedoeld) hulpbetoon in de laatste tientallen van jaren gebracht heeft. Op tallooze cursussen zijn door ijverige docenten telkens nieu\\e groepen van niet minder ijverige *) leerlingen onderricht in het toepassen *) Van dien ijver volge hier een aardig staaltje, overgenomen uit een Groninger blad van 1912. DRENKELING. Klein, dik ventje had zich vermaakt met vischjesvangen. Hij was nog niet mans genoeg om het zelf te doen, maar jongetjes van iets grootere afmeting hadden met schepnetjes naar stekelbaarsjes gevischt en de kleine kerel had zich daarbij wat best vermaakt. Totdat de dikkert plotseling wat vèr over den waterkant had gekeken — hij werd topzwaar — — een schreeuw en een plons — de jongen lag in 't water. Toen geschreeuw van de andere kinderen, van nabijzijnde vrouwen, gedraaf langs den waterkant van mannen, die dichtbij op de schepen werkten. Er werden een paar booten losgegooid. Maar inmiddels had een flinke jonge kerel, plat op 't lijf op een praam liggend, den drenkeling al bij zijn bloesje gegrepen. De jongen was gered, zooals de kranten dat noemen met den schrik en een nat pak er af gekomen. Maar daarmee waren zijn lotgevallen nog niet afgeloopen. Want nauwelijks hadden behulpzame mannen den schreeuwenden jongen op den wal getrokken of daar begonnen ze het kind te rollen over de steenen heen en weer. „'t Woater mot der oet", aldus redeneerde er een en steeds harder rolde men den drenkeling.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 212 Pagina's