1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 57
49
niet anders dan zeer geringe sporen aanwezig zijn en indien men van een dierpsyche wil spreken, moet men toch eerst nauwkeurig aangeven, wat men daaronder verstaat in onderscheiding van de menschelijke psyche. Het neo-vitalisme zou volgens den Heer B. ziel en lichaam zoo innig verbinden, als wij den Schepper met de schepping verbonden denken. Ook hier zou een nadere omschrijving van het begrip ziel zeker gewenscht zijn geweest, vooral omdat de neo-vitali.sten hieronder iets geheel anders zouden verstaan, dan men in Christelijke denkrichting doet. Toch moet men zoowel bij het mechanisme als bij het vitalisme rekening houden met de speculatieve beschouwingen, die met het stelsel als zoodanig niets te maken hebben, maar voortkomen uit de eigen levensopvatting. Wij verstaan onder ziel het specifieke, onstoffelijke, onsterfelijke deel van den mensch, dat hem een bijzondere plaats geeft in heel de schepping. Wanneer nu sommige neo-vitalisten neiging vertoonen tot een soort van Allbeseelung in de natuur, dan zou ik dit niet in verband willen brengen met hun vitalistisch standpunt, maar beschouw ik dit liever als een gevolg van hun bijzondere wereldbeschouwing. Op zich zelf genomen komt het vitalisme veel meer overeen met onze beginselen dan het mechanisme, maar in zijn werkpak, zegt HUIZINOA, jis de vitalist niet van anderen te onderscheiden. Bij de bespreking over aanpassing en doelmatigheid wenscht de Heer B. aan geen andere dan mechanische eigenschappen te denken. Hij wijst daarbij op den compensatie-slinger, die binnen zekere grenzen doelmatig kan functioneeren, zonder dat in bouw of functie eenig metaphysisch moment is te herkennen. Hij ziet daarbij echter over het hoofd, dat dit moment gezocht moet worden in het brein van den instrumentmaker, die de verschillende deelen zoo doelmatig in elkander zette. Het is nog niet zoo lang geleden, dat aan een van onze Universiteiten een rectorale rede werd gehouden over de ondoelmatigheid in de natuur. WENT wees er toen op, dat alles, wat op doelmatigheid geleek, alleen verklaard kon worden door mystieke bespiegelingen, die geheel buiten het terrein der natuurwetenschappen liggen. Hij vergat daarbij, dat hij zich aan eenzelfde euvel schuldig maakte door van zijn anthropocentrisch standpunt te spreken over ondoelmatigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's