1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 18
10
merkelijk, dat zooals we zagen, wij in het dagelijksch leven, zoowel als in de natuurwetenschap altijd het oorzakelijk gebeuren zelf niet waarnemen, maar slechts wat SIGWART noemt „die vorangehende Zustand der Ursache" en het „Beharren des neuen Zustandes." Immers zelfs bij de eenvoudigste chemische reacties is ons omtrent het eigenlijk oorzakelijk gebeuren niets bekend. Welnu ook de aequivalente betrekking wordt door ons steeds opgesteld tusschen dezen voorafgaanden toestand van het eene en den nablijvenden toestand van het tweede ding. Nu zou de door ons gezochte quantitatieve vergelijking door de afmeting van deze beide toestanden volkomen juist worden weergegeven, indien men zeker was, dat tusschen beide slechts de eene (bedoelde) oorzakelijke werking had plaats gevonden. Nu laat zich dit in de practijk wel nooit realiseeren, maar de vraag, welke zich hier uit een theoretisch oogpunt voordoet is in het Oorzaak voor algemeen deze : Wat is de oorzaak van een san 'J^^ continuen toestand,' van een onveranderlijk bliivan een toestand. •" •' ven in den tijd ? Deze vraag is echter een tweeledige in zooverre als men haar kan opvatten met het oog op den oorsprong van den onveranderlijken toestand, of met het oog op het konstant blijven zelf. Volgens het HAMILTON'S beginsel vragen wij allen bij verandering naar een oorzaak, maar het schijnt toch wel of dit meer een algemeene gebruiksvorm voorstelt, dan een a priori van ons denken. Niet alleen, dat het ongeschoolde denken herhaaldelijk opmerkt en zich verwondert over het constant blijven van een gegeven toestand, maar in de natuurwetenschap neemt men wel degelijk oorzaken aan voor het onveranderlijk blijven van een toestand. Dat de stoffelijke dingen niet veranderen, schrijft men toe aan de affiniteiten; dat een beweging blijft voortduren aan de traagheid der stof (sinds Gallileï) ODe genoemde vraag opgevat als een vraag naar den oorsprong van den konstanten toestand laat zich in dien zin beantwoorden, dat wij een konstanten toestand waarnemend steeds meenen, dat deze •de nawerking i§ van een oorzakelijke gebeurtenis. Wij veronderstellen daarbij dus stilzwijgend, dat de genoemde toestand niet •oneindig heeft bestaan, maar in den tijd ontstaan is. A priori ') Reeds tiier zij opgemerkt, dat behalve om andere redenen, reeds uit •deze feiten blijkt, dat de meening, dat God de dingen onderhoudt, zeer sterk <loor de causaliteitsprincipes wordt aangeduid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's