1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 150
142 of men de stoffelijke levensverschijnselen mechanistisch, dan wel vitalistisch verklaart. Dit is heel duidelijk, voor wie slechts oppervlakkig de Scholastische opvatting der natuur kent. Het is vrij onverschillig of God is een God van stoffelijke of van onstoffelijke natuurfactoren. Wil men met het deïsme breken zoo is de vraag of de natuur zich zelf genoeg is aan de orde. Deze vraag is een vraag naar het wezen der werkelijkheid. Zij kan slechts beantwoord worden door metaphysische bespiegelingen. Het is nu bekend, dat men in Christelijke kringen het z.g. transcendentaal realisme als uitgangspunt kiest, d. w. z., dat men niet idealistisch de ervaring opvat als in de werkelijkheid niet bestaande, maar ook niet naïef realistisch alle ervaringsfeiten als werkelijk onderstelt. Een harmonische ontwikkeling van onze psychische functies geeft hierbij een, weliswaar individueel wisselende, maar toeh volgens normen verloopende, tusschenweg aan. Nu zijn er drie dingen welke men m. i. op theïstischen grondslag onherroepelijk in de werkelijkheid moet aannemen, dat zijn God, de stof en de geest. Dit transcendentaal realisme is dus uitgangshypothese van mijn beschouwingen. Het onderzoek naar het oorzakelijk verband in de natuur diende nu om te trachten na te gaan, hoe in de werkelijkheid datgene gedacht, eventueel voorgesteld kan worden, wat men in de ervaring als oorzaak of als kracht omschrijft. Nu heb ik achtereenvolgens de verschillende deelen van het causaliteitsprincipe geanalyseerd en met name tegenover het psychisch-monisme, een theorie welke meer en meer aanhangers wint, getoetst. Met name is SIGWART een mijner meest gebruikte bronnen geweest en ik geloof mij met hem evenmin als met BUSSE in kwaad gezelschap te bevinden. Vervolgens werd door mij het begrip aequivalentie in verschillende verbanden opgespoord, met name in navolging van BUSSE in de eerste warmtewet herkend. Een m. i. eenigszins bevredigend resultaat is dan op blz. 14—16 verkregen, dat dus in het volgende bestaat. Volgens het psycho-monisme moet het wezen der natuurveranderingen gelijkheid zijn, volgens de Scholastiek ongelijkheid. De natuur bezit het vermogen het wezens ongelijke voort te brengen. De natuur is almachtig, ARISTOTELES en de Scholastiek dachten dan ook,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's