1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 69
61 teriëelen factor niet wil weten en dan alles aan één doelzettende Intelligentie toeschrijft. Op de vraag: houdt de Heer BUYTENDIJK de doelmatigheid in of buiten de dingen, is geen enkelvoudig antwoord te geven, daar de beweringen hierover tegenstrijdig zijn. Dit nu staat niet op zich zelf, maar in het vereenigen van tegenstrijdigheden meen ik een karaktertrek te vinden van deze artikelen. Zoo b. v. leze en overdenke men de volgende regels: „Willen wij een bepaalden anatomischen bouw als het resultaat van de functie van de cellen verstaan, uit welke elementen deze bouw is voortgekomen; dan moeten we het proces der celdeeling, en vooral de celdeeling in een bepaalde richting, in oogenschouw nemen" (133). „De structuur bepaalt de eigenschappen (de werkingen)" (Il 32). „Wanneer wij dus vinden, dat een bepaalde structuur in bepaalde omstandigheden een bepaald effect levert, zoo is dit in doode en levende natuur, zooals wij zagen, altijd de Werking Gods" (II 32). Eerst is de anatomische bouw resultaat der functie, vervolgens bepaalt de structuur (dus de anatomische bouw) de werking, eindelijk wordt het effect aan de „Werking Gods" toegeschreven. Waardoor wordt nu volgens den Heer BUYTENDIJK het resultaat verstaan door „de functie der cel," of door „de structuur," of door de „Werking Gods?" ziedaar weder een vraag, die ik niet vermag te beantwoorden, niettegenstaande het juist op de beantwoording van deze en dergelijke vragen aankomt. Slag op slag komt zoo de Heer B. met zich zelf in conflict b. v. in „eigen erfelijkheids theorie" (I 32) lezen we: „alle eigenschappen van een dier of plant zijn physiologische . . . "; „we herkennen door de geheele dieren- en plantenwereld gelijke physiologische processen." „Alle genoemde (gelijke) physiologische processen zijn tot nog eenvoudiger terug te brengen" . . . . n. 1. tot „eenvoudige chemische processen welke voor alle levende wezens in hoofdzaak, en voor organisme-families (bedoeld in directe afstamming) geheel gelijk zijn." Verwachtend nu het bewijs geleverd te zien van deze stelling, lezen we op pag. (I 37) vlak het tegendeel n. 1.: „Hebben we, in tegenstelling met DE VRIES, uiteengezet, dat elk organisme een ondoenlijk aantal eigenschappen bezit, welke voor een deel afhankelijk, voor een deel correlatief erfelijk zijn."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's