1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152
144 genomen, dat ook de dierenpsyche op het dierenlichaam werkt, zelfs bestaat de mogelijkheid, dat het ei het orgaan van de dierenziel zou zijn en dus de ontogenese het resultaat van een instinctief leven; zooals een vogelnest of een mierennest het resultaat van instinctief leven is. In dit geval zouden ook de determinanten in de cel niet de dragers zijn der erfelijke eigenschappen. Vooralsnog vind ik echter voor deze opvatting geen voldoende gronden, hoewel die misschien wel eens door de experimenteele wetenschap kunnen worden gegeven. In dat geval zou men ook aan planten een ziel moeten toeschrijven. Welnu voor de werking van ziel op lichaam, kan men m. i. evenmin een logischen grond aangeven als voor eenig natuurgebeuren. Slechts de aanname van de immanente medewerking Gods geeft ons een laatsten grond. „Er is goddelijke Dvi'aiu^, goddelijke tvtoiiia in de wereld werkzaam, daardoor zijn, daardoor werken de dingen." (BAVINCK). Daarna komt het vraagstuk der spontanëiteit aan de orde. Met nadruk verwijs ik naar blz. 27. Volgens mijn voorstelling, die ik (zie noot) niet in het toch reeds overladen artikel wilde uiteenzetten, zijn de ideeën Gods de causae exemplares der dingen, welke door den wil Gods in de dingen zelve worden ingedragen en als immanente causae in hen ingeschapen (BAVINCK blz. 57). Daar nu „in tegenstelling met de Qrieksche philosophic de ideeën geen objectief bestaan buiten God hebben, maar alleen in zijn Goddelijk wezen" (BAVINCK blz. 56) kan men dus kortweg zeggen, dat God zelf de immanente causa in de dingen is. ') Hierdoor komt die voorstelling tot stand, welke ik getracht heb te ontwikkelen. „De krachten en werkingen in de wereld zijn . . . zelve, niet door uitwendigen dwang, maar innerlijk, in haar eigen wezen, aan gedachte gebonden." (BAVINCK 1. c. blz. 57). Het is duidelijk, dat in een bepaald geval een oorzakelijke gebeurtenis moet toegeschreven worden aan een bepaald object (of toestand), welke de absolute voorwaarde voor het plaats vinden van het gebeuren is. Al schrijft dan ook Dr. A. KUYPER, dat het Gods kracht is, welke in de spieren van onzen arm werkt, (Heraut 1. c), zoo ') Maar natuurlijk transcendent ten opzictite der substantie blijft. Bij de opvatting van DRIESCH (en ARISTOTELES) is de idee, de forma der stof en dus een met de substantialiteit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's