Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 167

2 minuten leestijd

159 het vitalisme in consequente en wetenschappelijke wijze is ontwikkeld. De leer der scholastici en die van DRIESCH komen hiervoor in aanmerking; REINKE niet, zooals we gezien hebben. De leer van een „levenskracht" is natuurlijk zelfs geen bestrijding meer waard. Interessant is het echter eenige beschouwingen van verschillende schrijvers op hun vitalistisch karakter te onderzoeken. Definieert men een vitalist als iemand, die meent dat sommige levensfuncties onder den invloed van immaterieele realiteiten staan, dan is b, v. DESCARTES, de grondlegger der mechanische opvatting der levensverschijnselen, een vitalist. Immers doet het er niets toe en is het slechts een gevolg van studie en opvatting van bepaalde verschijnselen in dier en piantenrijk, waar men de werking van de ziel op het lichaam onderstelt en waar niet. Niettegenstaande de eenzijdigheid en onjuistheid van D E S CARTES opvattingen, is er geen principieel verschil tusschen hem en STAHL, de grondlegger van het vitalisme. Noemt men een vitalist, iemand, die meent, dat alle levensverschijnselen onder den invloed van immaterieele realiteiten staan, dan zijn alleen de scholastici consequent vitalist. Bij hun is de forma substantialis het levensprincipe. Bij het doorlezen der nieuwste publicaties van DRIESCH is het niet duidelijk of hij geheel op Aristotelisch-Scholastisch standpunt staat, vooral waar hij in zijn „Ordnungslehre" een bijzondere voorkeur voor HARTMANN, W O L F F en HEGEL aan den dag legt. V. UEXKÜLL rekent zich tot de beperkt vitalisten. Hij meent, dat het volwassen organisme als een mechanisme werkt, dat bij de ontogenese echter een entelechie medewerkt. BERGSON noemt zich geen vitalist, maar toch wordt vaak zijne wijsbegeerte vitalistisch genoemt op grond van zijne theorie van de „élan vital," in zekeren zin verwant met HARTMANN'S leer. HALDANE verwerpt mechanisme en vitalisme beiden. Zijn standpunt is niet duidelijk in korte trekken uiteen te zetten. Kan men dus consequente van inconsequente vitalisten onderscheiden, totaal onmogelijk is het een onderscheid te maken tusschen psycho-vitalisten en andere neo-vitalisten. (zie RIJK KRAMER) DRIESCH laat zich niet beslist uit over de vraag of de „entelechie" ziel is of niet. K. C. SCHNEIDER stelt zich als psycholoog tegenover de vitalist (in zijn Tierpsychologisches Practicum). E. v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's

1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 167

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's