1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 47
39 Bij de Babyloniërs was het geloof aan de duivelen zeer sterk •ontwikkeld en zij hadden dan ook een groot aantal tooverformules. In verband hiermede kregen deze denkbeelden bij de Joden vooral ingang na de Babylonische ballingschap. Ook bij de Perzen, de Grieken en de Romeinen was het geloof aan de daemonen vrij algemeen. Vooral in de Ie en de 2e eeuw na Christus speelde de daemonologie een groote rol in het dagelijksch leven. Wat men niet langs natuurlijken weg kon verklaren, schreef men toe aan den invloed van daemonen. Inzonderheid groote rampen en algemeene ziekten trachtte men op deze wijze te verklaren. Vervolgens gaat de schrijver in het vierde hoofdstuk na, hoe de Heere Jezus zelf oordeelde over de door den duivel bezetenen. Hij wijst er op, dat in het oorspronkelijke niet overal hetzelfde woord voor duivel gebezigd wordt. Terwijl 52 maal het onzijdige woord daimonion voorkomt, vindt men slechts 3 maal het woord daimon en nooit de woorden diabolos of satanas. Sommigen meenen, dat dit onderscheid wijst op het feit, dat men niet aan een bepaald persoon moet denken, maar de schrijver acht dit onderscheid niet van groote beteekenis. Ofschoon bijna elke bladzijde van de Evangeliën melding maakt van het uitwerpen van duivelen, worden slechts 4 gevallen meer in het bijzonder beschreven. Markus en Lukas verhalen van den bezetene in de synagoge te Capernaum ; Mattheus, Markus en Lukas beschrijven den bezetene van Gadara ; Mattheus en Markus vermelden de geschiedenis van de Kananésche vrouw, en Mattheus, Markus en Lukas deelen mede, hetgeen met den maanzieken knaap geschiedde. Opmerkelijk is, dat in het Evangelie van Johannes niets omtrent deze bezetenen wordt medegedeeld. De schrijver wijst er vervolgens op, dat degenen, die niet aan het bestaan van engelen en duivelen gelooven, natuurlijk ook niet aannemen, dat Christus de macht had duivelen uit te werpen. Zij meenen, dat men deze verhalen in figuurlijken zin moet opvatten en dat de Heere Jezus zelve ook niet vrij was van de daemonologische denkbeelden, die door geheel zijne omgeving werden aangenomen. Ook de Evangelisten verkeerden onder den invloed hiervan, toen zij schreven over het uitwerpen der duivelen en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er zelfs een en ander aan toegevoegd hebben. Indien men hiermede rekening houdt, dan zouden de verhalen omtrent het uitwerpen der duivelen alleen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's