1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 15
7
is om een zintuigelijken indruk bewust te worden. En zooals voN BAER dit zoo treffend heeft uiteengezet, zou het geheele aanzicht der wereld veranderen, als deze tijd een verandering onderging. Een waarnemend subject met oneindig verlengde tijdmaat, zou de geheele oneindigheid in één moment overzien. „Dass wir die Welt in der Zeit wahrnehmen, liegt demnach nicht an der Welt, sondern an unsrer Organisation" (HEIJMANS). Zoo zien we dus, dat het eerste der causaliteitsprincipes, namelijk, dat van de tijdelijke aanraking, ons reeds voor de vraag stelt of het bewerken, veroorzaken van het een door het ander in de werkelijkheid plaats vindt. Beantwoordt men dit bevestigend, dan komt men tot de meening van het objectief bestaan van den tijd, beantwoordt men ontkennend, dan kan er noch van tijd, noch van verandering, noch van stof, noch van een denken (van een wereldziel) sprake zijn. Wij willen ons vergenoegen met te hebben opgemerkt, hoe de causaliteitsprincipes een groote beteekenis bezitten voor de vraag omtrent het (transcendent of naïeve) realisme en het (volkomen of beperkt) idealisme. Vragen wij echter nu, hoe het staat met het principe uim e ijke ^^^ ^^ ruimtelijke aanraking der realiteiten, welke onaanraking.
,
, ,,
,
, , .,
,,
.
,
dersteld worden oorzakelijk op elkaar in te werken, dan zien we, dat we hier geheel anders tegenover staan, dan ten opzichte van het principe van den tijdelijken samenhang. Immers bij talrijke, namelijk psychische, processen, waar wij een oorzakelijken samenhang met groote stelligheid veronderstellen, laat zich juist een ruimtelijke samenhang in het geheel niet denken. En zelfs voor de materiëele causale betrekking in engeren zin kunnen wij aan het principe der ruimtelijke beïnvloeding geen overwegende waarde blijven toekennen. Slechts voor een bepaalde hypothetische opvatting der materie zou het kunnen gelden „dass die Berührungscausalitat ungleich begreiflicher ist als die Wirkung in die Ferne (HEIJMANS ^). Het belang, welke de energetische opvatting der materie meer en meer verkrijgt, laat zich in zijn gevolgen nog moeilijk overzien; maar nu, naar het schijnt, het aan RALEIGH gelukt is uit een energievorm materie te zien ontstaan, krijgt de hypothese van ') G. HEIJMANS. Gesetze und Elemente des wissenschaflichen Denkens, S 308.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's