1913-1914 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 66
58 levensverschijnselen aan eiwit onafscheidbaar gebonden denken. Over deze grondstelling bestaat eensgezindheid. Niet echter over de daar onmiddellijk zich aan vastknoopende vraag, of de levensverschijnselen slechts de uitdrukking zijn van de in eiwit, gelijk in de levenlooze natuur werkende gewone chemische en physische krachten, of wel dat deze alleen ter verklaring niet toereikend zijn. De eerste opvatting noemt men de mechanische; de tweede, de vitalistische. Sinds het eerste menschelijk pogen naar eene verklaring der levensverschijnselen, hebben deze beide opvattingen, hoe verschillend in den loop der eeuwen ook geformuleerd, tegenover elkaar gestaan, strijdende voornamelijk over de psychische verschijnselen, maar ook over de interpretatie der somatische." Stellen we hier tegenover tal van uitspraken van den Heer BuYTENDijK, dan is duidelijk, dat zonder nadere specificeering, aan het begrip een beteekenis toegekend wordt, dat er niet in ligt; ten bewijze het volgende: „Het zal bovendien blijken, dat de vitalistische en de neo-vitalistische systemen een onvoldoende verklaring geven der ervaringsfeiten, en onvereenigbaar zijn met de causaliteits-opvatting, zooals wij deze getracht hebben te verdedigen." (II 24). „Het neo-vitalisme verbindt ziel en lichaam zoo innig, als wij den Schepper met de schepping verbonden denken. Bij DRIESCH kan de entelechie regelend ingrijpen, bij REINKE zijn de dominanten vormen bepalend. BERGSON meent zelfs, dat de ziel het lichaam voorbrengt." (II 26). „In tegenstelling met het vitalisme zijn wij dan ook geen aanhangers van het Lamarckisme" etc. (II 27). „Wanneer dan ook een stoornis in een ontwikkelings-proces optreedt, zoo kan men van uit een vitalistisch standpunt zeer moeilijk een verklaring vinden van het effect, dat ontstaat," omdat volgens den Heer B. „het werkelijk ondenkbaar is, dat het doel door een wezensvorm (of entelechie) gesteld kan zijn" (II 27). „Nog treffender blijkt het verschil tusschen het vitalisme en onze theïstische opvatting bij het vraagstuk der Urzeugung. Hierbij wordt het vitalisme zijn principe ontrouw door een albezieling der natuur of der atomen te veronderstellen" (II 30). „Geen enkel vitalistisch systeem sluit den mensch (en zijn ziel) uit van de dierenwereld. Het ontstaan van het vitalisme is juist de poging tot verklaring van het zielsbestaan langs evolutie-weg;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1914
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 178 Pagina's