Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1915-1916 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 129

2 minuten leestijd

121 Verder noem ik CUVIER in zijn „Discours sur les revolutions de la surface du globe" etc.; hij hield naast LAMARCK, QEOFFROY, S T . HILLAIRE en andere descendentie-voorgangers zijn opinie staande. Zijn catastrophen-theorie heeft evenwel niets te maken met de leer der natuurlijke ontwaarding. D'ORBIGNY ging veel verder dan CUVIER en nam 27 verschillende scheppingen aan, waarin hij zelfs door AGASSIZ, D'ARCHIAC en anderen werd gevolgd. De groote overdrijving en het gebrekkig bewijs uit het onbekende verhinderden een ontwikkeling dezer theorie en spoedig verloor zij de aandacht der geleerden. Ook de „heterogene Zeugung" van KÖLLIKER (Baumgartner) hoort bij de gewone opvatting der descendentie-leer, omdat KÖLLIKER aanneemt dat uit den eierstok van een naverwante soort een primitief (onontwikkeld) exemplaar van een nieuwe soort ontstaat, waaruit vervolgens door een natuurlijke progressie de nakomende hooger ontwikkelde verwanten zouden ontstaan. HoFMEiSTER gaat daarbij zelfs van monstervariaties uit. De noodzakelijke natuurlijke progressie na de „heterogene Zeugung", de foutief aangenomen erfelijkheid van verworven eigenschappen en het zeer sterk hypothetisch karakter der theorie onderscheiden haar van de door mij bedoelde leer. De bovenbedoelde toepassing der descendentieleer biedt plaats voor een scheppingsideaal in den vorm van een scheppingswet, die in de creaturen zich van binnen naar buiten openbaart, (HARTMANN p. 22), doch zij draagt het karakter der palaeophantasie, welke in hoofdpunt 6 werd aangeduid. Naast de natuurlijke ontwaarding staat onafscheidelijk een onstoffelijke oorsprong, zij begint evenwel met ideaaltypen, die zoowel uit niets, (uit den schoot der eeuwigheid) als uit een bevrucht of onbevrucht ei ook wel uit andere stof kunnen zijn ontstaan. Hoofdzaak blijve dus het „buitennatuurlijk" (niet „onnatuurlijk") karakter der oorsprongen. De philosoof KANT schijnt de descendentieleer voor onmogelijk te houden, want de geleerde wereld verheugde zich bij het verschijnen van DARWINS werk over de overwinning op den Koningsberger philosoof in zijn meening „dass es für Menschen ungereimt sei zu hoffen, dass noch etwa dereinst ein Newton aufstehen könne, der auch nur die Erzeugung eines Qrashalms Orgaan 1915116

9

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 142 Pagina's

1915-1916 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 129

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 142 Pagina's