1915-1916 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 122
114 progressie wordt in de literatuur dikwijls' en op velerlei wijze in de descendentieleer ingeweven, doch zonder dat men eenig detailbewijs van progressieve descendentie kan bijbrengen. In de volgende critiek zal zooals tevoren medegedeeld geen gebruik worden gemaakt van de reeds bestaande zeer omvangrijke critiek-literatuur, doch ik herinner aan het werk van VÜN iHARTMANN, daar zijn critiek methode wordt voortgezet. Om op voorbeelden van oppervlakkig toegepaste uitdrukkingen te kunnen wijzen, noem ik het werkje van DEPÈRET, waarover FRECH en STEINMANN een zeer gunstig oordeel uitspraken. Daarin lezen wij (p. 203) „die Flossenhand eines Ichtyosauriers zeigt dagegen eine Vermehrung der Fingerteile und entspricht einer progressiven Anpassung" ; Maar van Icht: kennen wij geen voorouders, daarentegen ontstond volgens STEINMANN (280) uit de breede zwempoot met zeer veel vingerbeenderen door geleidelijke reducties de stomp van den levenden Delphinapterus met slechts zes vingerbeenderen er in. ABEL kan zich hiermede niet vereenigen en meent dat de Icht: reeds zijn uitgestorven Voorts wordt het dikwijls als progressie beschouwd, wanneer de tandfiguren gecompliceerder worden. Evenmin als bij de voorkomende progressieve compiiceering van de lobenlijn der ammonieten, kan variatie in de tandfiguren iets beteekenen, dat op progressie lijkt; waarin die progressie bestaat werd dan ook nergens nader aangeduid. Daartegenover zijn vele voorbeelden bekend van absoluut zeker verval, qualitatieve misvorming en verlies van het heele gebit. Vervolgens heeten in de literatuur de oertypen der phylogenetische rijen, dus mijn ideaaltypen, dikwijls gespecialiseerde typen, waardoor als vanzelf de gedachte opkomt, dat een diersoort zich tot het bedoelde type ontwikkelde, ofschoon daarvan hoegenaamd geen voorouders bekend zijn. Zoo heet bijvoorbeeld uit het voorbeeld der longvisschen het oudste exemplaar het meest „gespecialiseerd" en daarmee bedoelt men dan het oertype, mijn ideaaltype der longvisschen. Hetzelfde geldt van de oppervlakkigheid in het gebruik van het woord „primitief". Het oertype wordt primitief genoemd, •doch veelal wordt in den tekst daarmede een onontwikkelden toestand bedoeld, waardoor in de opvatting der phylogenie allerlei verwarring ontstaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 142 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 142 Pagina's