1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 98
72
orde heeft gesteld en die meende van ,,de onsterfelijkheid der ééncelligen" te kunnen spreken, Maupas kwam tot heel andere resultaten bij het kweeken van pantoffeldiertjes (Paramaecium), Deze diertjes planten zich ^in het algemeen voort door zich in tweeën te deelen. Kweekte 'Maupas ze nu langen tijd achtereen, dan bleken ze achteruit te gaan, soms wel na meer dan 100 deelingen. Maar steeds trad toch in wat Maupas ouderdom en ouderdomszwakte noemde, eindelijk hielden ze op met deelen en zelfs met zich bewegen en langzamerhand vielen ze uiteen. Alleen conjugatie maakte een einde aan het depressiestadium en bracht nieuw leven. Daar werden dus feitelijk bij vergelijking met hoogere dieren, nieuwe individuen geboren. Calkins kwam tot dezelfde resultaten, alleen was de conjugatie ook door eenige andere prikkels te vervangen, Wooddruff kwam echter na 1907 weer tot resultaten, die geheel met Weismann's meeningen overeenstemden. Ook hij kweekte een willekeurig pantoffeldiertje verder. Telkens na deeling (+ 3 deelingen in 2 dagen) kweekte hij één der zoogen. dochterexemplaren verder en zoo was hij van 1907—1919 tusschen de 5000 en 6000 generatie's gekomen en naar ik meen, kweekt hij nog steeds door, zonder dat conjugatie heeft plaats gehad. De tegenstrijdigheid is intusschen opgelost, doordat Woodruff gelijk kreeg. Het bleek nl, dat in de proeven van Maupas de aftakeling plaats had, onder invloed van de stofwisselingsproducten, die afgescheiden werden in de vloeistof, waarin ze werden gekweekt en zoo kwamen ze in de omstandigheid, dat ze hun stofwisselingsproducten op den duur niet meer konden kwijt raken. Zoo ondergingen ze wat Doflein noemt „den stofwisselingsdood", een verschijnsel, dat later weer zal ter sprake komen bij de bespreking van de meercelligen. Woodruff kweekt dus steeds zijn generatie's van pantoffeldiertjes. Men heeft inmiddels berekend, dat, als alle nakomelingen van zijn eerste pantoffeldiertje eens in leven gebleven waren, zij gezamenlijk ecu ruim Ie zouden innemen, vele malen grooter dan de aarde. Gelukkig is dal nicl gebeurd en er blijkt wel uit, dat die onsterfelijkheid, waarvan Weismann, Woodruff, Doflein e,a, spreken in de natuur, dus i i d^ praktijk van hun bestaan, niet veel terecht komt. In de natuur, in beperkt water tenminste, gaat het toe zooals in de proeven van Maupas, maar theoretisch hebben de proeven van Woodruff en de beschouwingen van Weismann en Doflein toch wel iets te zeggen, vooral ook in verband met de meercellige planten en dieren, Intusschen is er een curieuze tegenwerping gemaakt naar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's