1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 56
36
tronen de rol van planeten spelen en banen beschrijven om een groot positief electron, dat de rol speelt van een centrale zon. De laatste elementen der dingen zijn eigenlijk de positieve en de negatieve electronen. Uitvoerig beschrijft Bruin dan verschillende theorieƫn, critieken en tegen-critieken, die ik U niet alle kan noemen om de eenvoudige reden, dat zij mij niet alle even duidelijk zijn geworden. Voor ons is vooral van belang zijn opvatting, dat de natuurwetenschap de gesloten kleine eenheid van het atoom voor goed is binnengedrongen en er zich niet weer uit zal laten verdrijven. Deze fijnere structuur van het atoom heeft de aloude vraag naar de eenheid der materie weer geldig gemaakt niet alleer, maar ook vrij wat bevredigender beantwoord dan ooit te voren is geschied. Dit is de conclusie, waartoe Bruin is gekomen en die we op zijn gezag zeker wel onvoorwaardelijk mogen aannemen. Niet minder belangrijk is de rede, die Woltjer ^) een jaar later hield over de beteekenis der nieuwere physica voor het begrip natuurwet. Na een breedvoerige inleiding over het onderscheid tusschen fundamenteele en empirische wetten bespreekt hij de vraag of er physische bezwaren tegen de strenge geldigheid der eerste in te brengen zijn en of deze wereld dus a's een zuiver mechanisch systeem opgevat kan worden. Wel is wair zou de beginconstellatie wel zeer bijzonder moeten geweest zijn en zou zij moeilijk door een toeval ontstaan kunnen z'jn, hetgeen trouwens geheel in de lijn ligt van de waarheid der Heilige Schrift, dat hemel en aarde in den beginne door God (^CFchapen zijn. Een bezwaar tegen de geldigheid der fundamenteele wetten kan dit echter niet zijn, In de natuur bestaat voorts de W2t van de toename der entropie, waardoor zich overal een neiging tot nivelleeren vertoont. Alles nadert tot een chaos en kan zi'^h daarom moelijk uit een chaos ontwikkeld hebben; dit moet dus ook leiden tot het aannemen van een ordenend beginsel bij de beginconstellatie der wereld, zooals ook in Genesis wordt beschreven. Het bHjkt df^rhalve, dat er volgens Woltjer, fundamenteele wetten in de physif^a zijn, waarvan de absolute geldigheid niet betwijfeld kan worder; boverdien zijn er ook empirische wetten, die niet anders dan een zekere waarschijnlijkheid aangeven. Dat echter de strijd voor het determinisme 'angs wijsgeerigen wef5 incet worden uitgemaakt, was ook de opvatting van Kohnstarom, die als gast deze vergadering bijwoonde en persoonlijk aan de discussie deelnam. ^) Dr. H. R. Woltjer. De bettekenis der nieuwere physica voor het begrio natuurwet. Orgaan 1918, pag. 41-53. Voordracht 11 Mei 1918 te Amsterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's