1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 131
105 de aard van het individualiteitsbegrip bepalend is voor een meer deïstische, pantheïstische of theïstische opvatting, blijkt nog ten duidelijkste bij de vraag van het individueele in het ontstaan der soorten. De vraag, in hoeverre een geheel dier- (of planten) soort als één individu is op te vatten, wordt door von Ü e x k ü 11 bevestigend beantwoord. In zijn laatste werk meent hij, dat inderdaad elke soort een zelfstandig levend wezen is met eigen karakter, maar met een ongelooflijk langen levensduur. ,,Als onveranderlijk doelmatig geheel strekt zich de soort in het verleden van onze aardgeschiedenis uit. Alles wijst er op, dat zij als geheel ontstaan is, zooals elk subject als een geheel ontstaat." ,,De moeilijkheid om een soort als een zelfstandig levend wezen zich voor te stellen, berust slechts daarop, dat de afzonderlijke deelen (aparte-individuen) hun handelingen niet in een gelijk tempo en niet op een zelfde plaats uitvoeren. Stelt men zich de soort bijv, als een groote massa visschen voor, die een groot aantal pelagische dieren vervolgt en zelf weer door een aantal haaien vervolgd wordt, zoo krijgt men reeds den indruk van een groot, tegelijk vervolgend en vluchtend levend wezen, dat zich dan weer uitbreidt, dan weer samentrekt, op de eene plaats toe- op de andere afneemt, maar toch altijd het zelfde blijft. Hier zal de snelheid, daar de traagheid, hier de donkere, daar de lichte kleur, hier de scherpziende oogen, aaar de fijne neus enz, aan het geheel ten goede komen. Zoolang hel geheel al deze eigenschappen behoudt, zal het zijn bestaan onveranderd voortzetten,^) Niet alleen zien we dat de deelen (hier de afzonderlijke individuen) in bouw en functie het voortbestaan van het geheel (de soort) tot deel hebben, maar wij zien in de soort ook bepaaldheid van vorm der deelen, echter niet van het geheel. In de tv^feede plaats is er van geen eigenlijke heterogeniteit der deelen sprake, daar immers juist het soortbegrip in zich sluit, dat de afzonderlijke deelen der eenheid onderling aan elkaar gelijk zijn, hoewel von U e x k ü 1 1 meent, dat de verschillende variaties en de verschillende aanpassingen de heterogeniteit der deelen van het ,,individu-soort" leveren, welker bouw en functie voor het voortbestaan van het geheel (de soort) doelmatig is. Het is duidelijk, dat de opvatting van de soorten als zoo vele ,.individuen" voert tot de opvatting van een ontstaan der soorten, waarbij de soorten weer de deelen (eventueel de phasen) zijn van een nog grooter individu, dat zich in de phylogenese als eenheid ontwikkelt. Wij willen op deze theorieën niet in^) V. Uexküll. Theoretische Biologie p. 177.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's