1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 99
73 aanleiding van die onsterfelijkheid der ééncelligen. Men heeft opgemerkt, dat een eencellige, die zich deelde, toch feitelijk als individu dood was, want wat is nu eigenlijk na deeling het moeder-individu en wat het dochter-individu. Men spreekt dan ook altijd terecht van het ontstaan van twee dochter-individuen. Sommigen zeiden, dat het pantoffeldiertje als individu er was geweest, dus nu dood was. Weismann merkt hiertegenover komisch laconiek op; ,,maar als het pantoffe'jdiertjc dan dood is, waar is dan het lijk?" Het i.cheen zoo een strijd om een lijk te zullen worden, waarbij een vergelijking met den strijd voor Troje, om het lijk van den Griekschen heM Patrocles, niet ongepast zou zijn. . . . alleen ging het hier om het lijk van een pantoffeldiertje. En inderdaad is het mysterieuze pantoffeldiertjeslijk nooit gevonden en om te zeggen, dat het pantoffeldiertje na de deeling er is geweest, dus dood is, lijkt mij ongetv/ijfeld een malle woordspeling, maar v/el is waar m.i., dat de zoogenaamde onsterfelijkheid der ééncelligen, heel wat anders is dan de eventueele onsterfelijkheid dor meercelligen. Maar Weismann gaat in omgekeerde richting, om het voortbestaan der celindividualiteit voor de ééncelligen door te zetten, weer over tot een noch theoretisch noch practisch gefundeerde veronderstelling, nl. dat bij, een deeling van een eencellige, elk individu, als het bewustzijn had, zich het moederdier zou wanen en denken; ,,ik snoer een dochter af'. Zulke geheel hypothetische ééncelligen-psychologie heeft zelfs als veronderstelling bijzonder weinig beteekenis. Mij komt het voor, dat de groote moeilijkheid ontstaat, doordat de tertium comparationis tusschen ééncelligen en meercelligen ontbreekt. De eencellige heeft om zoo te zeggen niets, dat hij als lijk kan gebruiken, omdat hij geen soma heeft. Bij de meercelligen blijft immers het uit vele cellen bestaande soma als lijk achter en geslachtscellen groeien intusschen alleen door herhaalde deeling uit tot nieuwe individuen. De eencellige maakt, uit den aard van zijn eencellig zijn, geen onderscheid tusschen soma en geslachtscellen. Hij is alles in één. Organellen maakt hij, maar geen organen en hier is analogie, maar geen homologie. Een meercellige is te beschouwen als een cellenstaat, een staat dus van vele ééncelligen. Het individu is intusschen niet de som van de individualiteiten der ééncelligen, maar bovendien de relatie tusschen die ééncelligen. En hoe hooger het individu is, hoe meer de beteekenis van die relatie op den voorgrond treedt bij de steeds verder doorgevoerde arbeidsverdeeling. In die arbeidsverdeeling zullen we ook liever zien een vermoedelijke oorzaak van den physiologischen dood der meercelligen bij ouderdom. Maar het eencellig individu is dus even-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's