1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 132
106 gaan, omdat ze te ver van het individualiteits vraagstuk afvoeren. Alleen bedenke men, dat echte evolutie als natuurverschijnsel een ,,individueel geheel" als natuur-ding aannemen moet en dus bijna noodzakelijk in den vorm van het pantheïsme zioh moet ontwikkelen. Het individualiteitsbegrip, de idee van het organisme, is het denkbeeld van het bijzondere, dat het algemeene bepaalt, terwijl het natuurwetenschappelijk principe (in neo-Kantiaanschen zin) zich van het algemeene naar het bijzondere beweegt en een idee van het algemeene is. De invoering van het individualiteitsprincipe moet dan ook alle mechanistische natuurbeschouwing opheffen, maar behoeft daarom nog niet tot een entelechisch vitalistische opvatting te voeren, zooais V o l l e a h o v e n in zijn logisch onderzoek aantoonde. Daar in het individualiteitsbegrip de voorstelling van ,,geheelheid" als centraalelement is vervat, moet noodzakelijkerwijze de achtereenvolgende stadia in den tijd altijd betrokken worden op een eindtoestand, 3n einddoel. Tracht men nu de ,,geheele wereld" als individu te bezien, zooais dit noodzakelijkerwijze een echte evolutie-opvatting v^an de phylogenese (in analogie aan de evolutie in de ontogenese) moet doen, dan blijkt het, dat de eindtoestand van dit natuurlijk gebeuren ook in de natuur zelf zou moeten liggen. Wij willen deze vraagstukken hier niet verder vervolgen, hetzij genoeg, dat wij de structuur der biologische theorieën zoodanig hebben leeren kennen, dat het vraagstuk der individualiteit in het middelpunt staat. iDoor B e r n a r d B a v i n k ^ ) i s i n d e laaste druk van zijn 6oek een zeer kritische houding tegenover het individualiteitsbegrip aangenomen. Daarin is zijn conclusie op grond van de ook hierboven genoemde moeilijkheden, dat wij het organische individu niet als absolute eenheid apart van al het andere bezien mogen, maar veel meer als een zich min of meer duidelijk afteekenende golf op de groote stroom van het organische gebeuren moeten aanzien, In verband met deze opvatting is het begrijpelijk dat B a v i n k de evolutietheorie geheel volgen kan. Volkoman juist is het, zooais wij zagen, idat in de natuur objecten voorkomen, waarbij het onzeker is, of men met een individu te doen heeft of niet. Men zou uit dit feit, de conclusie kunnen trekken; ,,Der logisch /ollkommene Begriff ist ein idealbegriff (Sigwart ^) ) en ') Bavink. Ergebnissc und Problemc der Naturphilosophie, Leipzig 1921 p. 254. O 1. c. p. 258.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's